Translate
Home
Family
   B.K.F.
   Bouten-tak
   H.Bastert-tak
   van Hoytema-tak
   JF.Bastert-tak
   Duyvené-de Wit-tak
   New generation
   Interviews
   Reunions
   Travels
   Eenhoorn
   Lezingen
   Heros
Communicatie
New(s)
Guestbook
Links
Contact
Sitemap


vorige pagina

De Toverlantaren

Lees hoe het onze burgervoorouders verging rond de eeuwwisseling 200 jaar geleden. Enkele citaten:

Ik leerde met een klein geweer excerceren en een pelotton kommanderen .

Dit veroorzaakte het begin der tweespalt en onlusten tusschen Patriotten en Prinsgezinden, en toen kwam ook het liedje uit: " Want onze opperadmiraal is met stad en land neutraal "

Een onzer scheepen, het schip Holland, wierd zoodanig doornageld dat het zonk

maar wierd aan de Jan verwellesluis door de Patriotten tegengehouden, provisioneel gearresteerd , waardoor zij genoodzaakt wierd onverrigter zake de terugtogt aan te nemen.

Zooals ik dan ook die Pruissische troepen aldaar en aan den Overtoom heb gekantonneerd gezien. Dit alles had plaats in 1787, toen ik 12 jaaren oud was.

inmiddels was ik van kind jongeling geworden, men moest dus reeds om mijne verdere destinatie denken. In het beroep van mijne vader had ik wijnig lust

Want op die dag ontsliep mijne moeder Johanna Maria Valkenburg , eene godvruchtige deugdzame en bevallige vrouw, in haar 50e jaar.

Ik was welgemaakt en minnaar van 't andere geslagt. Ik stond dus op glad eiseh, temeer daar de mijsjes en vrouwen mij wel mogten zetten en mij maar al te veel vrijheden toelieten

hertrouwde mijne vader, die zeer op het bijzijn van eene vrouw gesteld was, met Christina Mertz , weduwe Fontijn, eene nicht van hem,

De revolutionaire geest ontwikkelde zich dus ook hier in 't geheim een onze naar Vrankrijk uitgewekene Patriotten, waaronder ik een oom Hendrik Valkenburg had,

Mijn Zwager van Hall wierd in de nationale conventie geplaatst

Heete revolutionaire , bandeloze, en kwaadaardige personen drongen de bedaarden en gegoeden weg. Zoo wierd een lampemaker Bos, een koekebakker Losbergen, een matteverkoper Schollebanger, en anderen van dat soort tot municipalen of volkvertegenwoordigers benoemd, en namen zitting tot in de nationale conventie toe.

Als toen begon ook de burger te zingen: "Ja, Ja,wij willen het weeten, waar het het geld gebleven is, dat in de kist gesmeten is, gestolen is het gewis".

Zoo moest ik, die het geweer had opgevat tot verdediging van het vaderland en de handhaving der publique rust, het wel haast tegens mijne medeburgers en zoogenaamde republiqueinen wenden.

Wij laaden met scherp en wagten op het commando , maar dit kwam niet,

Dit gaf oorzaak tot verregaande oneenigheden tusschen mij en eenige studenten, die wel haast tot dadelijkheden zoude gekomen zijn, doch mijne moed en fermiteit redde mij uit deze twisten.

dan mijne vader, zooals reeds gezegd is, weder weduwnaar geworden zijnde, verklaarde mij op eene avond, dat het hem hinderlijk was geen vrouw in huis te hebben, dat hij dus gerne zoude zien, dat ik een vrouw zogt

Het gevolg van dit alles was dat ik het ja woord ontving en op de 28e April 1799 mijne tegenwoordige huisvrouw Sara Bollard trouwde.

want hoewel ik toen eerst 25 jaaren oud was, gevoelde ik dadelijk, dat ik nu vader was geworden, en mijn volgend leven aan vrouw en kind, dus ook aan het huishoude en het bestaan moest wijden, temeer daar mijne vader reeds verzwakte.

eene armee bestaande uit Engelsche en Russen ontscheept , waarbij zich de zoon van de toen reeds overledene Wilem de Vijfde, die thans onze Koning is, bevond.

En daar ik mede in die termen vlel wierd ik daartoe ook opgeroepen. ik zogt mij te verontschuldigen , daarmede, dat ik als jong advocaat de gevangenen moest bedienen, en daarvoor onmisbaar was, maar zulks hielp mij niet verder,

Des middags begaf ik mij naar Purmereinde om zoo mogelijk nog iets naders van de strijd te hooren. Daar zag ik eene trekschuit aankomen, gevuld met alle gekwetste officieren , die nog vervoerbaar waaren

Na den afloop van alles maakte wij een toertje door noord holland en zagen toen nog de resten der rampen,

Op den 19e Mey 1802 verloor ik mijne eenige zuster Christina Elisabeth , de Huisvrouw van van Hall.

Eene dienstmaagd dus moest die kinderen in eene roode baye luier op haare schoot houden. Zij was verbazend opgetogen over het mooij dier wigjes.

ik was met een Persoon ouder dan ik en 's mans geweezene boekhouder aangesteld tot curator of sequester in den boedel van zekere Hendrik Hemmers . Mijne medecurator verbeelde zich als de oudste zijnde de kassa te moeten houden.

Vader vertrouwde zeer op zijne oude vrienden en bekenden , waarbij ik mij voegen moest, doch bij deze vond ik juist de minste ingang, zij hadden de genotene vrindschap en weldaden vergeeten.

Bij te bereiding van de nalatenschap , waarvan de vereffening het meest op mij neder kwam. vervonden wij dat de man lang zoo gegoed niet was geweest, als wij ons hadden voorgesteld.

Ik moest dus bezuinigen . Ten dien einde huurde ik een kleiner huis voor f.800.- op de Lijdsche gragt en vestigde aldaar mijn kantoor.

Op den 13e July 1804 wierd mij weder een zoon geboren, die wij Sibout Cornelis noemden, op den 29 Mey 1806 eene dochter, Hermina Cornelia , op den 5e Maart 1808 weder een zoon Justus genaamd.

wij genoodzaakt waren, zijne broeder Lodewijk Napoleon als koning van Holland aan te nemen. Ik heb met een beneepe hart en bijkans mat traanen in de ogen zijne intrede bijgewoond.

Ik had tot deze tijd toe altijd nog behouden en des zomers gebruikgemaakt van het buiten te Ilpendam

en ik betrok zelve het thans nog door mij bewoonde huis op het Singel , waar ik geboren was, en nu ook wel denk te zullen sterven.

wierd mij op den 9e January 1810 weder een zoon geboren, die wij Hendrik Abraham noemden

Onder het bestier van deze koning van het bakzel van Napoleon , die overal koningen plaatste,

Om naar 's Gravenhage te rijzen had men welhaast eene geheele dag nodig , en met een en het zelve span paarden was het bijna ondoenlijk. Ja, men kon op eene dag naar Arnhem komen, maar met eene elendige postwagen

Zoodanig zelve, dat er eene negotiatie tegens 6 procent wierd gedaan , waarvan men de aandeelen nog onder pari kon bekomen.

Zoo zag men hem dadelijk present en werkzaam bij de ramp van Lijden , en bij allen overstromingen, die onder zijne bestier in ons land plaats hadden

Zelde zag men hier zijne echtgenoote de Koningin Hortentia , en men sustineerd, dat er tusschen deze en de Keizer zelve ongeoorloofde familiariteit heerste

En dit gaf oorzaak, dat er twist tusschen de Keizer en zijne broeder ontstond en deed de Keizer be sluiten Holland bij Vrankrijk in te lijven .

Het was toen, dat ik op eene wandeling aan mijn zoon Cornelis verklaarde, dat wij geen vaderland meer hadden, waarvan hij in zijn gedicht op het vaderland melding heeft gemaakt.

Keizerlijke onderdanen in naam, maar niet in het hart geworden, want dit bleef bij de grote meerderheid Hollands en op den 27e Augustus van dat jaar wierd mijn vijfde zoon, die, Siboud Christiaan wierd genaamd, geboren,

Toen moest men zich met surrogaten voor koffy en suiker behelpen. Tot gebrand roggebrood toe wierd voor koffy gebruikt en de suiker uit de beerwortel. getrokken. 

Met den eersten Januarij 1812 wierd de conscriptie, en het fransche zegel, registratie, hypotheek en griffierecht ingevoerd

De tiersering had plaats , en een ieder, die Hollandsche fondsen bezat, verloor daardoor op een moment een derde van zijne renten

En inwendig moesten wij ons verheugen in de wederwaardigheden en nederlagen , die de armee en dus ook de onze onderging in den jaare 1813.

En ten andere vond de Keizer uit, om zich van de fatzoenlijkste jongelieden van het land meester te maken, het formeeren van een corps zoogenaamde Garde d'honneur . Men zal te vergeefs in de historie der volken zoeken naar eene dergelijke onzedelijkheid en vreedheid als ten opzigte van het formeeren van dat corps plaats vond. 

Maar de Hollandsche leeuw , hoewel nog in ketenen geklonken, het ligt ziende naderen, ademde op vraak

Op den 19 October van dit gevaarvolle jaar 1813 wierd mij weder eene dochter gebooren, die wij naar mijne moeder Johanna Maria noemde

1

Het huis van de Prefect de Celles wierd bedreigd en deze vlugte ter nauwer nood. En dit alles geschiedde onder de roep van Oranje boven , want niettegenstaande zooals gezegd is, het merendeels oude Patriotten waren, die deze opstand hadden aangestookt, als de Heeren Schotten en Kemper , zoo had. men Oranje tot leus genomen,

Ook ik wierd commandant van eene dergelijke wagt of patroëlje

Dit akelig toneel is dus alleen aan de onberaden voorbarigheid der Hagenaars toe te schrijven.

Het heugd mij nog hoe ik, met dit schriktoneel bekend geworden zijnde, het voor mijn huisgezin verzweeg , zooals ook door de meesten wierd gedaan om onze vrouwen en kinderen niet te verontrusten

Toen ook liet men zoo hier als elders de oude nederlandsche vlag van torens en schepen waajen, en op dit gezigt verbroederde zich alle bondgenoten en men wenschte elkander geluk met de gezegende omwenteling.

De wapening wierd voortgezet, dezelve liden, die de franschen eertijds niet ingebragt hadden, waaronder zich mijn oom Valkenburg bevond , stelde zich nu aan het hoofd om dezelve te verdrijven.

En de burgers van Utrecht , die des avonds nog in de magt der fran schen waren, verwonderd ontwaakte als daarvan bevreid zijnde.

Groningen, Deventer, Naarden en de Helder waaren nog in het bezit van de franschen, die zich daarin gesoveerd en genesteld hadden. Doch alle deze plaatschen wierde door de onze ingesloten, geblokkeerd en nader beschoten

Die voorslag wierd aangenomen, en kort daarop lande die Prins op Scheveningen aan .

en dat Napoleon, dat heerszugtig monster , verlof bekwam om zich op het eiland Elba te retireren

1815. Op den 9e Maart van dat jaar wierd mij weder eene Dogter geboren, Elisabeth Jacoba genaamd

DE TOVERLANTAREN

Of de verschillende gebeurtenissen in mijn leven, voorkomende als de glazen of vertooningen in eene toverlantaren.

1. Op de 20e September 1775 ben ik geboren uit brave burgerouders. Daar mijn vader als advocaat en notaris practizeerde; doordien mijne moeder daartoe niet in staat was, wierd ik door ene minne gezoogd.

2. Ik genoot met mijne eenige zuster Elisabeth Christina, die bijna 4 jaaren ouder was dan ik, eene goede opvoeding, dewijl mijne vader eene winstige practijk genoot.

3. Met mijne zuster wierd ik op eene Juffrouweschool gedaan, dat niet raadzaam was, dewijl ik mij daar door te vroeg aan de vrouwelijke omgang wende, aan hun geslagt hegte en gewaarwordingen ondervond, die niet voor mijne jaaren pasten, en die voor 't vervolg schadelijk konden zijn.

4. Ons gemenebest raakte in onmin met de toenmalige keizer van Oostenrijk, onder wien Belgien hoorde onder den naam van Oostenrijksche Nederlanden, over de tol op de Schelde en het bezetten van de forten Zillo en Liefkenshoek, dat de Belgen ons toen reeds betwistten. Den oorlog drijgde, en alles moest dus gewapend en in den wapenhandel geoefend worden, tot de landlieden op de dorpen toe. Mijn vader Baljuw zijnde van de Heerlijkheid Purmerland en Ilpendam, wilde in die wapening een voorbeeld geven, en zoo wierd ik, hoe jong ook benoemd tot vaandrager in den compagnie landlieden aldaar. Ik leerde met een klein geweer excerceren en een pelotton kommanderen. Dit was mijn eerste militaire loopbaan. Doch de zaaken wierden geschikt en de compagnie ontslagen. Ik was ter dier tijd op een franche jongensschool in de halve kost.

5. Inmiddels was de oorlog tusschen Engeland en Amerika ontstaan. De Noord-Amerikanen wilden het Engelsche juk afschudden en een vrije natie worden. Wij waren ten dien opzigte uitwendig neutraal, maar de Engelschen geen goed hart toedragende, bevorderden wij in stilte de zaak der Amerikanen. En onze kooplieden, steunende op de neutraliteit, en sustinerende, dat de ladingen van neutrale schepen ook neutrale goederen waren volgens den aangenomen regel: "Vrij schip, vrij goed", zonden als daartoe uitgenodigd buskruit, lood, kogels, touwwerk en timmerhout aan de Amerikanen. Dit wierd door het Engelsche ministerie, dat sich tegens het regt der volken het meesterschap over de Zeeën aanmatigde, euvel opgenomen. En de Engelschen begonnen onze schepen en laadingen te nemen en te konfiskeren, daaruit ontsproot de Engelsche oorlog, weldra verklaarden zij ons dezelve, en namen onze overzeesche bezittingen weg, o.a. het eiland Sintustatius, waar zij de Nederlandsche vlag lieten waaijen om daardoor onze koopvaarders binnen te lokken, die alsdan genomen en gekonfiskeerd wierden.

6. Hierdoor verlooren onze kooplieden en accuradeurs schatten, en de natie schreeuwde op het zeerst om wraak. Holland in het bijzonder, terwijl de landprovinciën daar minder belang bij hadden. Onze Stadhouder want dusdanig was de tijtel, die Willem de Vijfde voerde, was Engels gezind, was dus onvergenoegd over de kooplieden en had altijd meer met de landmagt dan met de zeemagt opgehad; nog hij, nog de landprovinciën waaren dus geneigd om de oorlog ter zee voort te zetten. Dit veroorzaakte het begin der tweespalt en onlusten tusschen Patriotten en Prinsgezinden, en toen kwam ook het liedje uit: "Want onze opperadmiraal is met stad en land neutraal", want de Prins was opperadmiraal van de zeemacht en wilde een soort wan neutraliteit bewaren, die niet meer voegde na het begin der vijandelijkheden Yan de Engelschen.

7. Op het aanhouden der Hollanders echter wierd er om eene opstand te mijden, eene vloot uitgerust en onder commando van den admiraal Zoutman gesteld. Deze zeilde uit, ontmoette de Engelsche vloot voor onze wal op Doggersbank en raakte, hoewel wij minder schepen sterk en merkelijk minder gewapend waaren, daarmede slaags op den 5e October 1783. Er woerd nog door den een nog door den ander een schip genomen. Een onzer scheepen, het schip Holland, wierd zoodanig doornageld dat het zonk na de slag en het resultaat van deze zeeslag was, dat de Engelsche vloot het eerst afhield en ons het zeeveld liet, doch dat bijde vlooten, schrikkelijk gehavend hunne zeegaaten moesten kiezen. Zooveel bloed en zooveel kosten was er dus opgeofferd zonder ander resultaat, als door het aantonen, dat het de Hollandsche Zeelieden nog aan moed, nog aan kunde ontbrak.

8. De geestdrift der volksgezinden of Patriotten om onze handel te wreken en onze bezittingen te herkrijgen, verminderde door deze proefneming niet, maar vermeerderde eer. Men wenschte dus naar een nieuwe uitrusting en naar eene a11iantie met Frankrijk, dat de zijde der opstandelingen in Noord-Amerika tegen~ de Engelschen gekozen had. Maar de Stadhouder geruggesteund door den adel en de landprovindiën werkte dit alles tegen. D1t verwekte nog meer haat tegens het Huis van Oranje en wij verloren bij eene voor ons zeer nadelige vrede bijna alles, wat door de Engelschen van ons genomen was.

9. De verkeerde directie en het gedrag door den Stadhouder opperadmiraal in deze Engelsche oorlog gehouden, opende de ogen der natie; en men bevond, dat hij zich te veel regt en magt aanmatigde. Het meerendeel der natie, dat de Patriotten of volksgezinden waaren, drongen erop aan, dat men de Stadhouder in zijne magt beperken zoude, en hem door een instructie of constitutie aan banden leggen. Den Stadhouder en de zijnen en de adel van 't land, die altijd 's vorsten partij kiest, en degeenen, die de hooge ambten en bedieningen bezaaten, en zij die van den Stadhouder afhingen, of zijne partij uit wanbegrip aankleefden, die Prinsgezinden genaamd wierden, verzetten zich daar tegens en daaruit kwam een burgeroorlog voort, want wat de Patriotten nu niet met reden en resonement verkrijgen konden, wilden zij door wapenen en opstand dwingen.

10. De Patriotten, die ten minsten in Holland meer vermogten dan de Prins1ieden namen de wapenen op. En niettegenstaande de staande armée de zijde der Stadhouder hield, moest hij zijne residentie in 's Gravenhage verlaten, en zijne toevlucht bij de armée in Gelderland zoeken. Geheel Holland, zelfs Utrecht, wierdt door de Patriotten bezet. Terwijl Soestdijk en Vianen de eerste plaatsen waaren, die door de aan den Prins trouw geblevene troepen bezet bleven. Bij die gelegenheid vielen er gevegten te Soetdijk en aan de vaart boven Utrecht voor: het eerste wilde de Patriotten uit Utrecht bemagtigen, doch wierden afgeslagen en bij het tweede wierden de militairen door de Prins afgezonden teruggeslagen.

11. De zaken zoo staande, wierd er van Prinschen zijde een ander middel aangewend, dat of slagen moest of hem gelegenheid geven door 't koninkrijk Pruissen ondersteund te worden. De Princes nl. eene moedige vrouw, eene zuster van den koning van Pruissen, begaf zich uit het leger naar 's Gravenhage, hopende eene aanhang te kreigen en eene divertie te bewerken, maar wierd aan de Jan verwellesluis door de Patriotten tegengehouden, provisioneel gearresteerd, waardoor zij genoodzaakt wierd onverrigter zake de terugtogt aan te nemen.

12. Nu had men een voorwendsel van zich bij de Pruissische koning te beklagen, zijne zuster een koningsdochter was immers door de rebellen en opstandelingen beledigd en dit vereiste satisfactie. Men wist alzoo daardoor de koning van Pruissen over te haalen om een legercorps tot assistentie van den Stadhouder en tot het verkrijgen van satisfactie voor de lezie aan de Princes aangedaan herwaarts te zenden. En nu tastte de Prins erfstadhouder met de hem trouw geblevene troepen met het Pruissische legercorps gesterkt de Patriotten overal aan, bemagtigde den eenen plaats na den andere, ook Utrecht, dat het bolwerk der Patriotten was moest vallen en wierd verlaten. Eindelijk verdedigde Amsterdam zich nog alleen, de Patriotten, die men gevange maakte, wierden door de Pruisschen mishandeld en naar Wezel als gevangene rebellen opgezonden, ja somwijlen aan paarden gebonden gesleept. Amsterdam wierd van alle kanten aangevallen, men zogt door opgerigte batterijen de Pruissen te stuiten aan halfweg Haarlem, aan de Duivendrechtsche brug, aan Amstelveen, aan Ouderkerk, aan Dunesbrug en aan alle toegangen tot de stad. Maar hoezeer de burgerij ook dapper vogt en ervan wederszijde veele sneuvelden, zag men eindelijk, temeer daar de post op halfweg Haarlem genomen wierd, doordien men vergeten had gewapende vaartuigen op de meer te plaatsen, en de Pruissen daarvan gebruik makende met schuiten over de meer trokken en die post van agteren aanvielen, dat men zich tegens de overmagt niet verzetten kon op den duur. En er wierd een capitulatie gesloten, waarbij men beloofde de wapens te zullen nederleggen mits de troepen Amsterdam niet zouden binnenrukken, maar alleen de Lijdsche Poort der stad bezetten. Zooals ik dan ook die Pruissische troepen aldaar en aan den Overtoom heb gekantonneerd gezien. Dit alles had plaats in 1787, toen ik 12 jaaren oud was.

Onder leiding van de hertog van Brunswijk, voerden de Pruisen op 1 oktober 1787 een aanval uit op Amstelveen. 
Deze gravure is van C. Brouwer.

13. Het was nu van alle kanten Oranje boven. De erfstadhouder had met de zijnen zijne residentie weder in 's Gravenhagen genomen. De heethoofdigsten onder de Patriotten, die zich het meest op de voorgrond hadden gesteld, vlugten uit vrees voor vervolging naar Vrankrijk. Veelen wierden van hunne posten ontzet en anderen in deszelfs plaats benoemd. Remotien en het doen van nieuwe beëedigingen hadden er plaats. En het gemeen dat altijd de bovendrijvende partij aanhangend, mishandelde op de straten en wegen diegeenen, die maar de naam van Patriotten hadden. Het was voor deze gevaarlijk zich in het publiek te vertoonen. Zonder met Oranje versiert te zijn kon men de straat niet betreden.

14. Eenige jaaren verliepen alzoo, de Patriotten morden, maar konden niets bewerken; inmiddels was ik van kind jongeling geworden, men moest dus reeds om mijne verdere destinatie denken. In het beroep van mijne vader had ik wijnig lust, want ik zag reeds in de moeite der practijk en de wijnige satisfactie, die men daarvan heeft. Ik wilde mij dus eerst op de wijnkoperij toeleggen, en toen mij dit afgeraden wierd, had ik zin in de korennegotie. Maar mijn neef de korenkoper Sanderton op wiens kantoor ik wenschte te komen raadde ook dit af. Ik raakte dus eerst volgens de wensch van mijne vader aan het Latijn leeren en voorts langzamerhand aan de studie der .. Ik ondervond in den beginnen, door verkeerde meesters, die zelf wijnig kunde hadden en in mij gene lust wisten op te wekken veele tegenheden, en dus was mijn vooruitgang zeer gering. Nader echter heeft eene bekwaam goeverneur dit gebrek vergoed, en mij tot de hogere studien bekwaam gemaakt.

15. Op den 25e Jannuary 1793 ondervond ik ruim 18 iaaren oud zijnde het eerste groote verlies. Want op die dag ontsliep mijne moeder Johanna Maria Valkenburg, eene godvruchtige deugdzame en bevallige vrouw, in haar 50e jaar. Deze slag was voor mij deste treffender, daar zij zich het meest met mijne opvoeding bemoeide, waartoe mijne vader door zijne menigvuldige bezighleden wijnig gelegenheid had.

16.
Ik was toen zoo men zegt een kind van weelde, want daar mijne zuster reeds op den 23e Mey 1790 met Mr. Maurits Cornelis van Hall gehuwd was, bleef ik 18 jaar oud zijnde met mijne vader alleen in ons huis. Wij hadden ons buiten, waar ik mij met rijden, vaaren, jagen en vissen naar welgevallen vermaken kon. Deze ouderdom is voor eene jongeling altijd gevaarlijk, maar vooral als hij onder geen dadelijk opzigt staat. Ik was welgemaakt en minnaar van 't andere geslagt. Ik stond dus op glad eiseh, temeer daar de mijsjes en vrouwen mij wel mogten zetten en mij maar al te veel vrijheden toelieten, maar mijne liefde tot de deugd en vastheid van karakter heeft mij voor hevige mispassen behoed.

17. In het laatst van het jaar 1795 en wel op den 6e October hertrouwde mijne vader, die zeer op het bijzijn van eene vrouw gesteld was, met Christina Mertz, weduwe Fontijn, eene nicht van hem, die reeds twee volwasse zoonen had, zijnde dit zijn derde huwelijk. Zijne eerste vrouw was geweest Jonna Coppenberg, maar deze had hij maar enige maanden mogen bezitten. Deze laatste echt was evenals zijn eerste kinderloos, en wij hebben ook bij dit huwelijk gene schade geleden, aangezien hij buiten gemeenschap van goederen trouwde en zij reeds op den 18e Feruary 1798 kwam te sterven, zoodat mijne vader aan haare kinderen niets uit te keren had dan haar aangebragt goed, maar dit ook in zijn geheel, terwijl men volgens onderlinge overeenkomst aan elkander niets had gemaakt of gelegateerd- Veelen klagen over de behandeling van eene stiermoeder, maar ik moet ter eere van de overledene zeggen, dat zij mij niet alleen als haare eigene kinderen, maar minstens nog meer beminde.

18. Van den jaare 1793 af had ik mijne studien in de regten bij het atheneum alhier voortgezet; inmiddels was de grote revolutie in Vrankrijk voorgevallen. De woorden van vrijheid, gelijkheid en broederschap, oorlog aan de tirannen en vrede aan de burgers (Pais aux Chaumières et Guerre aux Tirans) waren aan de orde van de dag; dit schoonscheinend geroep bij de alhier verdrukte Patriotten of Republiqueinen zijne weerklank vond was niet te verwonderen. De revolutionaire geest ontwikkelde zich dus ook hier in 't geheim een onze naar Vrankrijk uitgewekene Patriotten, waaronder ik een oom Hendrik Valkenburg had, wisten met toestemming van de fransche nationale conventie te Sint-Omemer een legercorps bij elkaar te krijgen. En de Fransche Republiek verklaarde den oorlog, niet aan Holland, maar aan de Prins van Oranje, onze erfstadhouder. Deze trachtte zich door Engeland en Engelsche troepen ondersteund tegens de Franschen te verdedigen maar alles wierd door de republiekeinen teruggedrongen, de tweede zoon van de Stadhouder Prins Frederik gekwetst, een harde winter en het bevriezen onzer rivieren was het corps Bataven zoo het heete en ae franschen voordelig, en in 1795 bezette de franschen ons land onder de titel van vrienden en bondgenoten. Prins Willem de vijfde was, door deze spoedige voortgang der franschen door onze Patriotten ondersteund, waardoor hij zoo inlandsche als uitlandsche vijanden te duchten had, genoodzaakt geweest zich met de zijnen, door eene visscherspink van Scheveningen naar Engeland te doen voeren, en al zo geraakten de Patriotten of Republiqueinen weder aan 't bestuur en Oranje onder.

19. Al dadelijk wierd hier een bestuur geformeerd naar het fransche model, dat is de oppermacht wierd gesteld in handen van een nationale conventie, het bestuur der steden wierd toevertrouwd aan municipalitijten en er wierden grondvergaderingen daargesteld voor het volk ten einde hunne regenten te benoemen, en voorstellen aan de regering te kunnen dien. Scheepensbank wierd in een burgerregtbank herschapen en een ieder wierd met de eenvoudige naam van burger betijteld, Mijn Zwager van Hall wierd in de nationale conventie geplaatst en andere mijner kennissen in de municipaliteit of in de regtbank. De Schutterij wierd georganiseerd onder de naam van nationale garden. Ieder weldenkende moest daar in deelnemen en dus wierd het ook mijne beurt voor mijne tweede militaire loopbaan.

20. Ik wenschte mij, daar ik een goed ruiter was en thans 20 jaaren oud, onder de burger kavalerie te engageren, maar mijne vader was daartegen, zoo voor de kosten van het equipement, als omdat er vrij wat lustige jongens onder waaren. Ik wierd dus provisioneel eenvoudig schutter, maar toen er uit de Schutters een corps Jagers of scherpschutters wierd geformeerd begaf ik mij daaronder; ik oefende mij toen in het schieten met de bux. Zelfs leerde ik patronen maken.

Het planten van de Vrijheidsboom in 1795 om het begin van de Bataafse Republiek te vieren door mannen die gekleed gingen als sans-culottes .

21. Wij waren dan toen vrije burgers, en van het zoogenaamde juk van prins Willem ontslagen, maar wij hadden eene fransche vrijheid, dat is bijna eene regeringloosheid, en soo eene vrijheid begeer ik nimmer meer te beleven, want men kon in de sin van het woord zeggen: booj was meester. De meerderheid van het volk bestaat immers uit de gemeene heethoofdige en onkundige klasse, deze benoemde de regeringspersoonen, en die alzoo het meeste schreeuwde, wierd het eerst benoemd en kwam in de hoogste posten. Heete revolutionaire, bandeloze, en kwaadaardige personen drongen de bedaarden en gegoeden weg. Zoo wierd een lampemaker Bos, een koekebakker Losbergen, een matteverkoper Schollebanger, en anderen van dat soort tot municipalen of volkvertegenwoordigers benoemd, en namen zitting tot in de nationale conventie toe. Overal wierden Vrijheidsboomen geplant, men danste om dezelve, maar wanorde en zedeloosheid vergezelde hun. Zoo eene regering wist van geene financien, van geene Politie, van geene D1plomatie. Des lands kaesa raakte ledig en wanorde heerste.

22. 0ok kwamen de bezwaaren der omwenteling nu nog agteraan. Vrankrijk had zijne hulp niet voor niets verleend, er moest Honderd Milioen voor de oorlogskosten betaald worden. Hun leger, dat ter behoeding en bescherming zoo men voorgaf onder ons bleef, moest gekleed, gevoed en betaald worden, hunne opperofficieren maakte allerlij vorderingen, waaraan voldaan moest worden. Er waaren dus heffingen en geld opbrengingen nodig om aan de behoeften van den lande te voorzien. Een zes procentsheffing van een ieders kapitaal wierd beraamd, maar daar dezelve niet spoedig genoeg geregeld en uitgevoerd kon worden en er zoo eene grote behoefte was, wierd er gedecreteerd, dat alle burgers, die gemaakt zilver (lepels en vorken allen uitgezonderd) bezaten, hetzelve dadelijk moesten opbrengen of vrij kopen, terwijl alleen voor de innerlijke waarde daarvan, volgens gewigt wierden afgegeven, die men nader in de heffing van zes procent in betaling zoude kunnen geven. Zoo geraakte al het fatsoen en het maakloon van het zilver geheel verloren, en ik heb de schoonst bewerkte stukken met hamers ineen zien slaan. Dit zilver wierd dadelijk naar de munt gebragt om daar van geld te slaan. Vandaar ziet men nog zoo veele drieguldens in die jaaren geslagen. De eene heffing volgde de andere op, in den beginne was zulks nog maar eene geforceerde geldbelegging, maar weldra moest men opbrengen zonder daarvoor iets te ontvangen. Dit heete Don gratuit. Dit wierd alles door ie gegoede burgers geleeden, terwijl het gemeen om de vrijheidsbomen dansten, overal hunne stem in hadden en hunne wetten stelden.

23. Zoo eene staat van zaken kon niet voortduren. 's Lands schulden wierden opgehoopt, en 't geld zonk weg zonder dat men wist waar het bleef. Als toen begon ook de burger te zingen: "Ja, Ja,wij willen het weeten, waar het het geld gebleven is, dat in de kist gesmeten is, gestolen is het gewis". En waaren nu nog de burgers allen eensgezind geweest dan had misschien nog uit deze verwarring orden kunnen ontstaan. Maar wel verre van dien, :eertijds waaren er maar twee partijen, die van Patriot en van Oranje; maar nu ontstonden er verschillende partijen. Die van Oranje die ten ondergebragt was, zweeg wel, maar werkte teegen. Die ie revolutie waaren toegedaan onderscheide zich in bedaarde Patriotten, dat de verstandigste lieden waren, die wel eene reforme verlangd hadden, maar niet door de hulp der franschen, waaronder mijne vader en ik behoorden, want ons sistema was altijd, houd de vreemdeling uit uwe huishoudelijke betrekkingen. Anderen, die alleen begrepen door de franschen gered te zijn, anderen zoogenaamde vaderlanders, die hun hier gebragt en ingelokt hadden, anderen, die het terrorisme dat in Vrankrijk heerste ook hier begeerden om daardoor eerambten en rijkdom te bejagen. Vandaar de benamingen aan de eersten toegevoegd van s1ijmgasten, van draijers aan hun, die de huif naar. de wind hingen en dan bedaard en dan revolutionair waaren naar dat hun belang zulks mede bragt, van muscadiens voor hun, die zich met 't gemeen niet wilde gelijk stellen, en van aristocraten, die het 'slands bestier gerne in handen Van de meest gegoeden, kundigsten, en fatzoenlijksten burgers zagen.

French troops marching into the city on January 19, 1795 (Jacob Cats)
at the present Frederiksplein; the barracks of the Prussian army can be distinguished in the background as well as the Utrechtsepoort (poort = gate)

24. Dat tusschen dezen botzingen moesten ontstaan, was een natuurlijk gevolg. Dit gebeurde dan ook, want toen men zich eindelijk alhoewel met veel moeite van die fransche opvreters had ontalagen, kwamen die verschillende gevoelans los. De heethoofden en zelfzoekers begeerden de wanorde, de bedaarde vaderlanders orde. Hetgeen door de eene partij wierd gedaan, wierd door ie andere verworpen. Zoo moest ik, die het geweer had opgevat tot verdediging van het vaderland en de handhaving der publique rust, het wel haast tegens mijne medeburgers en zoogenaamde republiqueinen wenden. De schutterij of nationale garde bestond in deze stad uit Kavallerij, Infanterij en Artillerij. Onder het eerste Gorps waaren in het algemeen de meest gegoede lieden of hunne zoonen. Het tweede was gemengd, doch meerendeels uit de bedaarde klasse samengesteld, maar het derde corps ie Artillerij bestond meerendeels uit de heethoofden, revolutionairen, die gerne hier, hoewel zij ie gevolgen daarvan niet kenden, het terrorisme zagen ingevoerd en daarom hadden zij ook ie bijnaam van stuivers gekregen. Daar de stedelijke regering hun nu te moderaat voorkwam, wilien zij de regering tot andere maatregelen dwingen of andere regeringsleden naar hunne begrippen aangesteld hebben. 0m dit te verkrijgen begaven zij zich met hun corps en hunne kanonnen naar het stadhuis, thans het Paleis, drongen daar binnen en deden op eene zeer onbeschofte en drijgende manier hunne vorderingen gelden. De regering van hunne zijde zogt tijd te winnen en riep de Kavalerie en Infanterie op om hun te ontzetten. Bij die gelegenheid begaf ik mij ook bij mijn batailjon op de bloemmarkt, dat meerendeels wel geintentioneerd was, teneinde van daar op te marcheeren en die zoogenaamde stuivers den dam te doen ruimen. Wij laaden met scherp en wagten op het commando, maar dit kwam niet, de stuivers, ons vast besluit vernemende, waren afgetrokken, en bespaarden ons alzoo het gevaar hunner kanonnen en het vergiten van burgerbloed. Hierop, daar het doch die nagt niet rustig was, wierden wij met het geheele batailjon in de nieuwe Zijds Capel ingelegerd. Des anderen daags, terwijl wij echter nog in de wapenen bleven, rukte er een Escadron ruiterij in aller eil van Lijden ontboden, door onze Kavallerie gedekt binnen, en soo wierd de rust hersteld.

25. In September 1797, nadat ik 4 jaaren alhier getudeerd had, begaf ik mij, volgens de wensch van mijne vader naar de Lijdsche Academie om aldaar nog een jaar te studeren en dan te kandideren en te promoveren. Daar ik daardoor Lijdsch burger wierd, wierd ik uit ie schutterij ontslagen. In den beginnen had ik aldaar veel tegenheden, dewijl men mij als groen, dat is als pas student geworde, beschouwde. Dit kon ik niet lijden, aangezien ik reeds 4 jaaren gestudeerd had, en er menigeen onder de studenten aldaar waren, die ik wist, dat zoolang niet gestudeerd hadden en minder onderwezen waren dan ik. Dit gaf oorzaak tot verregaande oneenigheden tusschen mij en eenige studenten, die wel haast tot dadelijkheden zoude gekomen zijn, doch mijne moed en fermiteit redde mij uit deze twisten. Ik heb ook daar het studentenleven leeren kennen, maar het is hier de plaats niet om daarover uit te wijden, genoeg is het te zeggen, dat ik mijne studiën met lof volbracht en in het daaraan volgend jaar 1798 kandideerde en op den 7e Juli van dat jaar als Meester in de Regten wierd gepromoveerd. Ongeveer om deze tijd leed onze staat nog een notabel verlies; om aan de begeerte der franschen, onze bondgenoten, te voldoen, rusten wij eene vloot tegens de Engelschen uit, waarvan het commando aan den Admiraal de Winter wierd opgedragen. Deze vloot ontmoete de Engelsche en raakte slaags, er wierd woedend gevogten, maar hetzij door de overmagt der Engelschen, of door verkeerde manoevres, onze vloot wierd geslagen, het geheel masteloos geschoten admiraalschip genomen, en de overigen kwamen zeer gehavend thuis.


Luisterfragment: de Slag bij Camperduin

26. Alzoo tot eene staat gekomen vestigde ik mij als Advocaat ten huize van mijne vader alhier en wij woonden te samen, dan mijne vader, zooals reeds gezegd is, weder weduwnaar geworden zijnde, verklaarde mij op eene avond, dat het hem hinderlijk was geen vrouw in huis te hebben, dat hij dus gerne zoude zien, dat ik een vrouw zogt, dewijl hij anders zich geneigd zoude vinden zelf nog een vierde huwelijk aan te gaan. Ik begreep dadelijk, dat het eerste beter, tenminste convenabeler dan het laatste zoude zijn, maar ik had nog in het minst niet op een huwelijk gedagt, zoo omdat ik mijne vrijheid beminde, als omdat ik het minste nog geen bestaan had. Natuurlijk was ik dus met die propositie verlegen. Ik verklaarde nog op geen mijsje het oog te hebben laten vallen met de begeerte om daarvan mijne vrouw te maken, en dus nog geheel vrij te zijn. Daarop zijde mijne vader mij met eenige in kennis te zullen brengen en hield woord. Maar de voorgestelde persoonen bevielen mij minder, en toen eerst bespeurde ik in mij eene bijzondere genegenheid voor de tweede dochter van de bijzondere vriend van mijne vader, den Advocaat Bollard, welken mijsje ik gedurende miin verblijf te Lijden in 's Gravenhage had leren kennen. Ik beleed deze genegenheid aan mijne vader, die wel eerst eenigszins te onvrede was, daar zijn aanleg op een rijker huwelijk daardoor afsprong, maar weldra vond hij er mede genoegen in, en schreef eene brief aan zijne vriend om voor mij acces bij die zijne dogter te vragen.

27. Het acces wierd verleend, maar het mijsje wilde zich niet declareren, voor zij mij nader had leeren kennen. Ik moest mij daarom van tijd tot tijd naar 's Gravenhage begeven, en daar het winter was en de wegen zeer slegt, want toen had men nog straatwegen, nog diligences, waren deze rijzen dikmaals moeyelijk, ja somwijlen gevaarlijk. Mijne vader rade mij dus zelve aan een Testament te maken, waarbij ik mijn mijsje tot erfgename stelde en waarbij hij zelve compareerde om van de vaderlijke legatime te renomeeren, dat toen geschieden kon. Het gevolg van dit alles was dat ik het ja woord ontving en op de 28e April 1799 mijne tegenwoordige huisvrouw Sara Bollard trouwde.

28. Met deze mijne huisvrouw ging ik bij mijne goede, maar toen reeds oud geworden vader inwonen. Ons huwelijk was gelukkig, hoewel de inwoning bij den oude man, die zeer op ons gezelschap gesteld was, ons dikmaals hindernis veroorzaakte. Maar hij beminde mijne vrouw uitermate en ik schikte mij uit liefde voor mijne vader naar zijne begeertens. In het eerste jaar van ons huwelijk wierd mijne vrouw niet zwanger, maar wel in het tweede.

29. Op den 23e December 1800 schonk mijne vrouw, ons mag ik zeggen, want mijne vader was daar even verheugd mede als ik, onze eersteling, zijnde een zoon die naar mijne vader en moeder Jacob Johannes wierd genaamd. Had ik mij hoewel gehuwd, tot die tijd toe nog bijna zorgeloos gevoeld de geboorte van dit kind stortte om zoo te zeggen op mij de mannelijke zorg, want hoewel ik toen eerst 25 jaaren oud was, gevoelde ik dadelijk, dat ik nu vader was geworden, en mijn volgend leven aan vrouw en kind, dus ook aan het huishoude en het bestaan moest wijden, temeer daar mijne vader reeds verzwakte.

30. Reeds dikmaals had men mij aangemaand om Diaken bij de waalsche gemeente alhier te worden, waartoe men doorgaans jonge advocaten verkoos, zelfs had zich te dien einde om mij over te halen eene commisse uit de kerkeraad bij mij vervoegd. Maar ik bleef deze roeping weigeren, aangezien ik mij daartoe niet geschikt achte, en er ook gene begeerte hoegenaamd toe gevoelde. Maar toen mij nader door het Stadsbestuur, de toenmaals zeer vereerende post van kerkemeester wierd aangeboden, vermeende ik het aanneemen daarvan niet te mogen wijgeren, en zoo wierd ik kerkemeester van de Oude Zijds Kapel, welke post ik ben blijven waarnemen, tot het bestuur der kerken later aan de gemeentens zelve wierd opgedragen. en daarvan is het, dat ik altijd nog eene vrije plaats in de kerkemeesterenbanken bezit.

31. Zoo ik het wel heb, had in het laatst van het jaar 1801 of 1802 de landing van de Engelschen en Russen plaats. Men wist, dat men toen reeds over de handelingen van Vrankrijk ten onzen opzigte ontevreden was. Engeland en Rusland, die in oorlog met Vrankrijk waren, dat met ons geallieerd was, wilde Vrankrijk afbreuk doen door onze staat weder onder het bestier van Oranje te brengen. Zij hoopte dit door eene inval te bewerkstelligen en vertrouwde op bijval van de nog bestaande, doch onderdrukte Oranjepartij. Ten dien einde was in het geheim een oorlogsvloot en transportschepen uitgerust en op het onverwagtste wierd op onze kusten tusschen de Helder en het Zant, onder bedekking van het geschut hunner vloot, eene armee bestaande uit Engelsche en Russen ontscheept, waarbij zich de zoon van de toen reeds overledene Wilem de Vijfde, die thans onze Koning is, bevond.

32. In allereil trokken onze troepen op om die landing te keer te gaan, maar in plaats, dat de generaal Daendels, die aldaar het bevel voerde, de onzen ineens deed oprukken en aanvallen, begaf hij hun batailjons-gewijze in het vuur; er wierd dapper van weders kanten gestreden. Maar het eene batailjon wierd na het andere geslagen, onder anderen wierd ook het schoonste jagercorps, dat wij bezaten van de Collonel Luck bijna geheel vernield. De landing gelukte volkomen. En de Engelsche en Russe stelde zich in het bezit van de Helder, Huisduinen en Nieuwe Diep.

33. Onze vloot, die op de rede van Texel lag, trok zich terug tot op de Vlieter. De Engelscke vloot zeilde Texel binnen, someerde vervolgens onze vloot tot overgave, en het zij door gebrek aan moed, of door verwarring, of door het vooruitzig van zich niet goed te kunnen verdedigen wierd dezelve zonder slag of stoot overgegeven en naar Engeland vevoerd.

34. Door het oproepen van vrijwilligers en het inderhaast aanleggen wan batterijen, aan de keten van het Zant en verschillende plaatsen tot zelfs Purmerend toe, wierd de voortgang der vijanden opgehouden, men vroeg dadelijk hulp en ondersteuning in Vrankrijk, de mobile schutterijen trokken uit om steeden en plaatsen te bezetten en om de stedelijke rust te bewaaren. Alhier te Amsterdam wierd er eene nieuwe schutterij onder den naam van rustende schutterij opgerigt want men wierd bevreesd voor eene opstand der nog bestaande Oranje partij, allen die reeds als schutter hadden uitgediend en ontslagen waren, doch nog beneden de 60 jaaren waaren, wierden gedrongen daarin te dienen. En daar ik mede in die termen vlel wierd ik daartoe ook opgeroepen. ik zogt mij te verontschuldigen, daarmede, dat ik als jong advocaat de gevangenen moest bedienen, en daarvoor onmisbaar was, maar zulks hielp mij niet verder, dan dat men mij de charge van auditeur militair met de rang van Capitein opdroeg, dien ik moest aannemen en zoo kwam ik in mijne derde militaire carrière.

35. Inmiddels drongen de Engelschen en Russen gedeeltelijk landwaarts, en bezetten Alkmaar. Maar een corps Russen en Schotten, dat de kusten wilde langstrekken om op Haarlem en voorts op den Haag te marcheeren, wierd door de onzen met een deel reeds aangekomen franschen in' t Bergerbosch ontmoet, aldaar geslagen, en onder de gevangene ter dier tijd gemaakt, bevond zich de Russische generaal Herman. Doch landwaarts in kwamen hunne tiralieurs tot zelve niet ver van Purmerend. Voorts hadden er gevegten plaats te Schorel, Schoreldam en in andere dorpen.

36. Door eene steeds opkomende fransche magt onder de generaal Marmont, want daar het mede in het belang der franschen was deze inval te stuiten, waaren zij hier in zeer bereidvaardig, kreegen wij meerdere kragten, en eenige daagen later wierd de gecombineerde landingsarmee bij Castricum zoodanig geslagen, dat zij verzogten te capituleeren. Men wil wel zeggen, dat ter dier tijd, hadden wij onze voordeelen voortgezet, die geheele armee had kunnen vernietigd worden; maar dat de Generaal Marmont voor engels goud zich liet overhalen om hun te sparen, maar genoeg was het dat bij deze capitulatie bedongen wierd, dat zij binne eenige dagen het land zouden verlaten. Hunne weder inscheping had dus dadelijk plaats en ging met zoo eene overhaasting, dat zij sommige hunner paarden, die niet spoedig genoeg konden lngescheept worden, doodschoten en in zee wentelden. De uitgetrokkene schutters kwamen terug en de rustende schutterij, waaronder ik behoorde, wierd afgedankt. Zoo eindigde deze landing, die van wederszijde veel bloed en geld gekost heeft, en waarbij wij veel volk en onze vloot verloren hadden.

37. Ik heb dan ook bij die gelegenheid de akeligheden der oorlog gezien. Op den dag der landing bevond ik mij met vrouw en kind en eene denstmaagd op ons buiten. Des morgens vroeg vermeenden wij eerst in de verte onweder te hooren, maar weldra bleek het, dat zulks een aanhoudende kanonnade was. Tegens de middag paseeerden er veele expresses de weg naar Amsterdam, en van de eersten kregen wij het bericht, wat er gaande was. Van nadere, dat men geweldig aan het strijden was, en dat aan de eene zijde het strand en aan de andere zijde de duinen a1s bedekt met lijken waaren, en dat men de gekwetsten in Alkmaar bijna niet meer kon bergen. Nog naderen verkondigden ons het terugtrekken onzer troepen agter de Zijper dijk, waar zij stand hielden en de vijand voor die dag keerden. Des middags begaf ik mij naar Purmereinde om zoo mogelijk nog iets naders van de strijd te hooren. Daar zag ik eene trekschuit aankomen, gevuld met alle gekwetste officieren, die nog vervoerbaar waaren, en die of naar hunne familien, of naar het gasthuis te Amsterdam trokken, hunne klederen waren met bloed bemorst, sommigen droegen de armen in doeken, anderen, die aan de beenen gekwetst waaren, hompelden op stokken. Hun aanschein was bleek en teekende moedeloosheid. Daar wij des anderen daags hoorden, dat het de onzen te zwak viel en dat het dus mogelijk was, dat de vijand tot ons zoudee doordringen, pakten wij het voornaamste onzer goederen in en trokken daarmede naar Amsterdam; daar zaagen wij weder scheepen met gekwetsten naar het gasthuis voeren. Onze vrouwen in plaats van hun gewoon werk maakten woor dezen pluksels en windsels. Nader heb ik een van deze gekwetsten gesproken, die kadet bij de jagers van Ohassé was, deze had een geweerkogel dwars door den arm en het geheele lijf gekregen, was voor dood uit de gelederen: gesleept nader echter zoo goed mogelijk;: verbonden en herwaarts opgezonden en niet tegenstaande de gal beledigd was en hij gal braakte, is deze ook hersteld maar wierd daarom in het gasthuis ook de slang genaamd. Niet allen waren zoo gelukkig! Toen de vijand nog verder doordrong en Alkmaar in zijne magt had, was er sprake, dat de generaal Daendels zijn hoofdkwartier te Ilpendam op ons buiten zoude vestigen. En daar de paarden hier en daar in requisitie wierden gesteld, lieten wij de onzen dadelijk naar Amsterdam brengen. Eindelijk zooals gezegd is, toen de nood het hoogst was, namen de zaken eene keer en de wederinscheping had plaats. Ik moet echter nog melden, dat ik na de slag in 't Bergerbosch alhier een convooy van ten minsten 300 gevangenen zoo Engelsche, Schotten, als Russen heb ik zien aankomen en in de Westerkerk inlegeren. Wij begaven ons om hun van nabij te zien in die kerk. Daar maakte de gevanBene hunne legers van stroo op de zerken tegens de muren en kregen brood en bier. De Russen was meest jong volk en waaren in hunne ellendige staat nogal te vreeden, de Engelsche minder, maar vooral de Schotten zagen er bars en wrevelmoedig uit, zoodat men hun in hunne gevangene staat nog niet zoude hebben durven beledigen.

38. Na den afloop van alles maakte wij een toertje door noord holland en zagen toen nog de resten der rampen,veele dorpen waren geheel afgebrand, in anderen de huizen met kanon en geweerkogels doornageld. En het Bergerbosch was deerlijk gehavend, hier en daar zag men nog verscheurde en met bloed bevlekte monteringstukken, brokken van geweeren, hoeden en mutzen, blikke buizen van kartetuzen, kogels, gesprongen houtvitters. Uit de bomen kon men nog de kogels halen en de takken waren door kanonskogels hier en daar afgeschoten.

39. Op den 19e Mey 1802 verloor ik mijne eenige zuster Christina Elisabeth, de Huisvrouw van van Hall. En op den 6e December van dat jaar juist op mijne vaders jaardag, die toen zijn 66e jaar bereikte. beviel mijne vrouw van van tweeling zoon en dogter, doch daar deze kinderen te vroegtijdig geboren waaren, stierven zij op den 11e en 13e daaraan volgende. Deze kraam was de moeilijkste, die mijne vrouw doorgestaan heeft, en haare onlust wierd nog vermeerderd door het verlies dier kinderen. Bij de verlossing door het onverwachte was er geen baker voorhanden. Eene dienstmaagd dus moest die kinderen in eene roode baye luier op haare schoot houden. Zij was verbazend opgetogen over het mooij dier wigjes. Of hier door impressie veroorzaakt is, zal ik niet beslissen, maar eenige tijd daarna trouwde zij, wierd dadelijk zwanger, beviel ook van een tweeling, maar kwam in die kraam te sterven.

40. Hoewel ik niet ongelukkig in mijne Pracktijk als advocaat was, en zelfs eenige lof verkreeg, kon ik daarin geen genoegsaam bestaan vinden. Want vooreerst leefde mijne vader nog en men vertrouwde dus zijne zaak eerder aan den oude dan aan den jonge advocaat, 
En ten andere had mijne zwager Mr. M.C. van Hall zulk eene vermaardheid verkregen, dat ieder tot hem kwam, waardoor hij reeds. als door mijn vader geprotecteerd wordende, ook het meerendeel van mijne vaders pracktijk had bekomen. Ik had door mijne vader verkregen het postje van ontvanger van de Purmermeer, doch dit bragt maar f. 300 in het jaar op. 
En ik had weliswaar enige commissien van curatorschappen als andersints gekregen, maar ook deze bragte mij niet veel in en in een van deeze ondervond ik door mijn goed vertrouwe eene groote wederwaardigheid te weeten: ik was met een Persoon ouder dan ik en 's mans geweezene boekhouder aangesteld tot curator of sequester in den boedel van zekere Hendrik Hemmers. 
Mijne medecurator verbeelde zich als de oudste zijnde de kassa te moeten houden. Ik gaf daarin toe, echter onder voorwaarde, dat er eene ijzere kist zoude worden aangeschaft om de penningen te bergen, waarvan ik de sleutel van het hangslot zoude hebben. Dit gecommitteerd zijnde ontving mijne medecurator de penningen, die uit de verkopen als andersints voorkwamen, maar schafte zich geene kist aan. Eindelijk kogt ik er eene en stuurde hem die thuis met bericht, dat ik des anderen daags zoude komen om de penningen, die toen 4 à 5 duizend guldens bedroegen daarin te bergen. Ik kwam des anderen daags, maar ziet, hij had reeds al dit geld ten zijnen behoeven verbruikt en op eene liderlijke wijze verteerd.. Door veele moeitens en opofferingen ben ik nader deze toen voor mij schrikbare ramp te boven gekomen en heb aan de crediteuren comtereerende procenten van die boedel successivelijk uitgekeerd.

41. Mijne vader oud en zwak wordende, en dus niet veel meer werkende, zag, dat mijne zwager al zijne practijk als advocaat naar zich trok, en dat er dus na zijn overlijden niet veel voor mij zoude overschieten. Daarom rade hij mij aan naar de post van notaris te sollciteren, om evenals hij advoaat en notaris tegelijk te zijn. Alhoewel ik tot het notariaat wijnig lust gevoelde, kon ik doch de deugdelijkheid van deze raadgeving ni et ontkennen, maar ik moest daar toe tegens mijne inborst gaan solliciteren.
Vader vertrouwde zeer op zijne oude vrienden en bekenden, waarbij ik mij voegen moest, doch bij deze vond ik juist de minste ingang, zij hadden de genotene vrindschap en weldaden vergeeten. Anderen echter waaren mij goedgunstiger, en in het begin van de jaare 1803 wierd ik als notaris aangesteld en beëedigd.

42. Een ha!f jaar na deze aanstelling en alzoo voordat mijne vader zijne notarieele practijk op mij had kunnen overdragen. kwam hij en wel op den 27e July 1803 te sterven. Bij te bereiding van de nalatenschap, waarvan de vereffening het meest op mij neder kwam. vervonden wij dat de man lang zoo gegoed niet was geweest, als wij ons hadden voorgesteld. In de laatste jaaren was zijn vermogen door de veele heffingen, waarin hij sich rijker waande, dan hij was, te veel had gefurneerd, merkelijk verminderd, want na afbetaling van alles, en afgifte van de boedels, die mijn vader onder sich had gehad, als die van een Mons klerk en anderen, bleek het, dat zijne zuivere nalatenschap maar ongeveer f. 60.000.- beliep, die tusschen mij en de kinderen van van Hall, die bij mijne overledene zuster verwekt, gedeeld moest worden.

43. Al dadelijk zag ik, dat ik met mijne toen nog wijnige practijk, en de resten van f.30.000.- met mijn huishouden niet zoude kunnen blijven voortleven in het zelve grote huis en op dezelve voet a!s mijne vader gewoon was te leven. Ik moest dus bezuinigen. Ten dien einde huurde ik een kleiner huis voor f.800.- op de Lijdsche gragt en vestigde aldaar mijn kantoor. Het is waar, ik had misschien voor mijne practijk beter gedaan met in het vaderlijk huis op het Singel, daar de calanten gewend waren te komen, te blijven. Ik zoude daardoor meer practijk behouden hebben, die mij toen ontliep, maar dan had ik moeten wagen of mij dit reusseerde en geen liefhebber van wagen zijnde, verkoos ik te meer sécure weg. Ik bespaarde daardoor veele uitgaven en legde mij met des te meer kragt op de notarieele practijk toe, waarin ik dan ook réusseerde.

44. Op den 13e July 1804 wierd mij weder een zoon geboren, die wij Sibout Cornelis noemden, op den 29 Mey 1806 eene dochter, Hermina Cornelia, op den 5e Maart 1808 weder een zoon Justus genaamd, zoodat ik toen vier kinderen had.

45. Inmiddels waaren de publique zaken geduurende den loop van dezen jaaren geheel veranderd. In Vrankrijk, waarmede wij altijd nog in zeer nauwe betrekking stonden, en dat zooveel invloed op ons en onze regeering had, was Napoleon eerst tot consul benoemd en later tot keizer verheven. Deze man koesterde in zijne onverzadelijke heerschzucht toen reeds de wensch om ook Holland onder zijne schepter te brengen. Om dit nu te verhoeden, daar hij in Holland een meer eenhoofdig bestier begeerde, wierd Mr. Rutger Jan Schimmelpenninck, die bij hem als onze ambassadeur had gefungeerd, tot raadspensionaris van Holland benoemd. En hoewel deze vrijwel nog republiqueins bleef, had hij bijna de magt van een koning. 
De benarde financieele omstandigheden van ons land drongen hem veele drukkende belastingen in te voeren. Zoo kregen wij het Patentregt en andere nog niet gehoorde lasten. 
Het volk morde en de heerschzucht van Napoleon wierd nog niet voldaan, daar hij wel zag, dat hij door de raadspensionaris nog niet verkrijgen kon al, wat hij wilde. De onaangenaamheden hierover namen hand over hand toe, en hij bragt het door drijgementen zooverre, dat wilden wij onze nationale zelfstandigheid behouden, niet als wingewest van Vrankrijk verklaard worden, wij genoodzaakt waren, zijne broeder Lodewijk Napoleon als koning van Holland aan te nemen. 
Ik heb met een beneepe hart en bijkans mat traanen in de ogen zijne intrede bijgewoond. Wij waaren dus nu een Koningrijk en onder het bestuur van een Fransche koning, dus zoo te zeggen, vasallen van Vrankrijk geworden.

1806, Koning Lodewijk Napoleon arriveert in Amsterdam

46. Ik had tot deze tijd toe altijd nog behouden en des zomers gebruikgemaakt van het buiten te Ilpendam, maar nu het getal mijner kinderen zoodanig vermeerderde en daardoor de huishoudelijke onkosten groter wierden, en de opbrengsten voor de lande nog vermeerderde, moest ik weer op middelen van bezuiniging bedagt zijn, want buiten en behalven de onkosten, die het houde van ket buiten met de paarden en rijtuigen aldaar veroorzaakte, zoo moest ik des zomers een dubbel huishouden hebben, want zoowel hier als buiten moest er gegeten worden en bediening zijn. Daarbij kwam nog, dat ik bespeurde. dat de wijnige dagen, die ik buiten doorbragt, voor mijne notarieele practijk schadelijk waren, want ik heb ondervonden, dat wil men met de notarieele practijk voorwaars komen, men bijna nimmer eene geheele dag van huis moet zijn, dewijl er veele zaken sijn, die geene enkele dag uitstel kunnen lijden, en vind men dan zijn notaris afwezig, worden de patronen ontevreden.

47. Ik nam dan, om het voorenstaande, eene ferme resolutie, te weeten deze, om mij wat het mij ook koste zoude, en welk verlies ik er ook bij mogt lijden. van het buiten met al wat daartoe behoorde te ontdoen. En daarin tegen het mij toebedeelde huis op het Singel, doch te dier tijde buiten huur geraakte, zelve te betrekken, en mij alzoo in een ruimer huis en dus ook met meer uiterlijk aanzien, geheel in de Stad te vestigen. Ik behoef niet te zeggen, dat deze resolutie mij moeielijk viel, want ik moest daartoe van al die genoegens, die ik van kindsbeen af genoten heb, als het buitenleven. het jagen, visschen. vaaren, rijden zoo te paard als met rijtuig, ten eenen male afstand doen, dan die afstand was noodzakelijk voor de mijnen en dus wankelde ik als goed huisvader niet. En het buiten met al zijn toebehooren wierd door mij voor zeer hoge prijzen verkogt, en ik betrok zelve het thans nog door mij bewoonde huis op het Singel, waar ik geboren was, en nu ook wel denk te zullen sterven.

48. Wij waren dus nu onder het bestier van Lodewijk Napoleon als koning van Holland en onder dit bestier wierd mij op den 9e January 1810 weder een zoon geboren, die wij Hendrik Abraham noemden. 
Onder het bestier van deze koning van het bakzel van Napoleon, die overal koningen plaatste, die dus zoo te zeggen onder-koning of Vasal van Vrankrijk was, en dus niet wel als eene Souverijne vorst kon beschouwd worden, bleven wij doch den tijtel van eene zelfstandige natie behouden. De Koning, die een goed hart bezat, kreeg weldra liefde voor de Hollanders en wierd ons met hart en ziel toegedaan. Hij had veele deugden en kundigheden, en was niet als zijne broeder onverzadelijk heerschzugtig. Daarintegen tragte hij tot zijne onderdanen neer te dalen en zich met hun gelijk te stellen, om zich van alles in eigen persoon te onderrigten, zelfs onze speelen als het nationaal kolfspel toe wilde hij leeren. Hij was weldadig en werkzaam doch ook ondernemend.

49. Het was onder zijne regering, dat er hier ten lande een begin gemaakt wierd met de chaussées of straatwegen, want tevorens waaren alle de publique wegen alhier van zand of kleij; was het lang droog, dan waren de eerste bijna onbruikbaar, dat bij gestadig nat weder ook het geval der laatste was. Het was dus bijna ondoenlijk des winters met rijtuigen er door te komen, men had daartoe ligte rijtuigen en veelen paarden nodig. 
Om naar 's Gravenhage te rijzen had men welhaast eene geheele dag nodig, en met een en het zelve span paarden was het bijna ondoenlijk. Ja, men kon op eene dag naar Arnhem komen, maar met eene elendige postwagen, die om 5 uuren des morgens afreed en om 10 uuren des avonds te Arnhem aankwam. Ook zijn toen met de straatwegen de geregelde diligence diensten gekomen, en nu reeds vindt men bijna overal straat, of macadamsweegen, en goede rijdgelegenheden.

50. Maar die koning had ook gebreken, hij verstond huishoudkunde niet, dat is, hij wist 'slands tering niet naar de nering te zetten, hij was te vrijgevend en maakte grotere kosten, dan 'slands inkomen dragen kon. Hij scheen te denken, dat de beurzen der Hollanders onuitputtelijk waren, en dus gingen de financien nog dieper ten onder en wij zouden door zijne welwillendheid misschien door den tijd een nationaal bankroet ondergaan hebben, want de jaarlijksche deficieten wierden door kostbare negotiatiën gesuppleerd. Zoodanig zelve, dat er eene negotiatie tegens 6 procent wierd gedaan, waarvan men de aandeelen nog onder pari kon bekomen.

60. [ sic ] Koning Lodewijk tragte echter overal goed te doen en niets was hem daartoe te moeielijk. Gebeurde er hier of daar een ongeluk, de Koning was er dadelijk bij om zooveel mogelijk te helpen en orders te geven. Zoo zag men hem dadelijk present en werkzaam bij de ramp van Lijden, en bij allen overstromingen, die onder zijne bestier in ons land plaats hadden. Hij spoorde de menschen tot werkzaamheid aan, ja er zijn voorbeelden, dat hij zelve met eige hande medewerkzaam is geweest.

61. Doch hij was naar het oordeel van zijnen broeder de Keizer veel te populair en te Hollands gezind. Hij verzette zich tegens de verordeningen, die de Keizer hier wilde ingevoerd hebben, en die ons nadelig waren. Ook heerste er tusschen deze broeders geen grote harmonie. Zelde zag men hier zijne echtgenoote de Koningin Hortentia, en men sustineerd, dat er tusschen deze en de Keizer zelve ongeoorloofde familiariteit heerste, zoodanig zelfs, dat men vermoed, dat de oudste zoon van die onze Koning, die thans nog op den troon van Vrankrijk aanspraak heeft gemaakt, en daartoe zulke onzinnige coupen heert gewaagd, een overspelig kind van de Keizer was.

62. Reeds in 1800 had de Keizer erop aangedrongen, dat alhier het sistema der douane zoude inge voerd worden, want hij zag, dat men tegens zij ne wil en zijn cintinentieel sistema hier te lande oogluikend engelsche goederen liet invoeren. Hij wilde ten opzigte van de publique schuld de tiersering hebben e venals in Vrank rijk en ook als daar eene requesitie doen in voeren. De Koning en zijne Hollandsche raads lieden verzette zich daartegens. En dit gaf oorzaak, dat er twist tusschen de Keizer en zijne broeder ontstond en deed de Keizer besluiten Holland bij Vrankrijk in te lijven.

63. De Keizer deed daarop troepen aanrukken en daar wij de magt niet hadden om ons tegens het collossaal Keizerrijk te verzetten, en onze koning niet buigen wilde, wierd hij genoodzaakt afstand van zijne regering te doen. Dadelijk daarop wierd Holland weder door fransche troepen als overstroomd. Onze nationale zelfstandigheid wierd ons ontnomen, en wij wierden verklaard een gedeelte van Vrankrijk uit te maken, en Amsterdam de derde hoofdstad van het Keizerrijk genaamd. Het was toen, dat ik op eene wandeling aan mijn zoon Cornelis verklaarde, dat wij geen vaderland meer hadden, waarvan hij in zijn gedicht op het vaderland melding heeft gemaakt.

64. Op de helft van het jaar 1810 waren wij dus Keizerlijke onderdanen in naam, maar niet in het hart geworden, want dit bleef bij de grote meerderheid Hollands en op den 27e Augustus van dat jaar wierd mijn vijfde zoon, die, Siboud Christiaan wierd genaamd, geboren, zoodat ik toen 6 kinderen had.
Dadelijk alle onze kusten met een leger van douaniers bezet en alzoo alle sluikhandel met Engeland belet, alle handel ging te niet, de coloniale producten als koffy en suiker wierden enorm duur, want doordat de zee onvrij was, kon men geen aanvoer bekomen, de monopolie handel in tabak, die de Keizer alleen aan zich. behield, of de regie wierd ingevoerd, waar duizenden hunne broodwinning verloren. De notarissen, waaronder ik hoorde, bleeven wel in hunne posten, doch moesten eene nieuwe eed aan de Keizer doen, en de fransche practijk en hunne wetten volgen. Alle ambtenaren die in hunne posten bleven wierden opnieuw beëedigd. De gevonden wordende engelsche manufacturen wierden de kooplieden zonder schadeloosstelling ontnomen en in het openbaar verbrand.
Toen moest men zich met surrogaten voor koffy en suiker behelpen. Tot gebrand roggebrood toe wierd voor koffy gebruikt en de suiker uit de beerwortel. getrokken.
De Fransche legerhoofden en fransche ambtenaren, waarvan eene menigte ons gezonden wierd, knevelde ons van alle kanten als overwonne opstandelingen, en wij waren tot zelfs in onze kuizen geen meester meer. Onze klagten wierden niet verhoord, en wij wierden behandeld als een wingewest.

65. Met den eersten Januarij 1812 wierd de conscriptie, en het fransche zegel, registratie, hypotheek en griffierecht ingevoerd. Een ieder, wiens zoon boven de 18 jaaren oud was, moest dezelve soldaat laten worden, en zijn leven voor het Keizerrijk, dat altijd in oorlog was, laten opofferen, of voor grote somme gelds eene plaatsvervanger koopen. Veelen zijn daardoor geruïneerd, en anderen hebben hunne kinderen, hunne steun en hoop verloren.
Wat ik ook van 't jaar 1803 af tot 1812 geleerd en ondervonden had in mijn beroep, kwam mij niet meer te pas, en was als verloren. Ik moest geheel nieuwe wetten en een nieuwe practijk leeren, en dadelijk reeds in werking brengen, wilde ik voor mijn huishouden de kost blijven verdienen. Ik legde mij dan daarop toe en was zoo gelukkig ook deze nieuwe practijk, echter niet dan met veel inspanning, meester te worden. Maar te verwonderen is het, dat door dit alles geen meer verwarring geboren is. Ook de weinige handel, die hier nog plaats had, moest naar geheel andere regelen gedreven worden, en voor ieder wierd alles even moeielijk en bezwarend.

Op de afbeelding valt te zien hoe op 15 juni 1812 in Amsterdam voor de eerste keer de guillotine werd gebruikt. De executie vond plaats voor de Oude Waag op de Nieuwmarkt.

66. Daar ik volgens de fransche wet op het notariaat geen advocaat en notaris tegelijk mogt zijn, moest ik mij tot het een of ander van die beroepen alleen bepalen. Ik koos dat van notaris, hoewel dit minder aanzienlijk is, en dit, zoo omdat mijne zwager zich in het bezit van mijne vaders practijk had gesteld, als omdat het notariaat meer zekerheid van bestaan opleverde, en ik ook daarin meer practijk had, en ik heb mij nader over deze keuze te vrede bevonden.

67. De tiersering had plaats, en een ieder, die Hollandsche fondsen bezat, verloor daardoor op een moment een derde van zijne renten, zo wierden veelen bevorens welgestelde lieden tot behoefte, ja, tot armoede gebragt. Welgestelde patritische familiën zijn daardoor behoeftig geworden, en fortuinzoekers verrijkt.
Het was onder net Hollands bestier eene wet geweest, dat gestigten, armbestieren, en voogden de gelden in Hollandsche fondsen moesten beleggen, dus al wat zij bezaten bestond in die fondsen. Dit had mij en anderen doen vertrouwen, dat die tiersering hier niet zou worden ingevoerd en ik had dus mijne Hollandsche effecten behouden, maar ik wierd met hun het slagoffer van dit vertrouwen, en verloor dus, met mijn reeds kostbaar geworden huishouden, een groot deel mijner inkomsten.
Onze legermagt, vermeesterd door de requesitie, wierd op fransche voet gebragt, trok fransche soldij en moest met je keizerlijke troepen tegelijk oprukken tegens vijanden, die inderdaad onze vrienden waren. Zoo ook moest ons krijgsvolk deelen in de vervaarlijke togt tegens Rusland. En inwendig moesten wij ons verheugen in de wederwaardigheden en nederlagen, die de armee en dus ook de onze onderging in den jaare 1813.

68. Maar nu ook was de mate van ongeregtigheden gevuld. Den overmoed van Keizer Napoleon moest vernietigd worden. Hij stuitte tegens Rusland, doch bet Keizerrijk had in zijn val nog geweldige stuiptrekkingen. Vooreerst wier. ieder, die maar eenigsins van belang in de laste betaalde, waaronder ik ook behoorde, willekeurig gequotiteerd om eene som op te brengen ten einde de ruiterij van het leger te vergroten, of te herstellen. En ten andere vond de Keizer uit, om zich van de fatzoenlijkste jongelieden van het land meester te maken, het formeeren van een corps zoogenaamde Garde d'honneur. Men zal te vergeefs in de historie der volken zoeken naar eene dergelijke onzedelijkheid en vreedheid als ten opzigte van het formeeren van dat corps plaats vond.
Want vooreerst wierden daartoe eenvoudig naar hun welgevallen door de fransche Perfecten Decelles alhier, en Distard in 's Gravenhagen de meest fatzoenlijke en meest gegoede lieden van het land gedestineerd of aangewezen en opgeroepen. Het deed er niets toe of deze reeds geremplasseerd had, en alzoo in het leger reeds gerepresenteerd wierden of niet, nog of men een eenige zoon was, nog of men in zijn beroep onmisbaar was. En aan het hoofd van zaken stond, nog of men vrij persoon was, of reeds verloofde. Die door die monsters gedestineerd wierd moest marcheeren, en ten opzigte van dit corps mogt men niet remplasseeren. En de uitrustingen van monteering en paard moest door de opgeroepene zelve bekostigd worden. En deze ligting wierd door de Prefecten met des te meer vreedheid uitgevoerd, omdat zij daardoor den dank en welwillendheid van den Keizer inoogsten. Alle deze gedestineerde jongelingen wierden als gemeene ruiters behandeld, en ook betaald, zij wierden alle ginds en derwaards uit den lande gezonden, want het voornemen van den Keizer was zoo om ons daardoor de kragten en lust tot opstand te ontnemen, als om in geval van opstand dezen onder zich te houden als gijzelaars.

69. Maar de Hollandsche leeuw, hoewel nog in ketenen geklonken, het ligt ziende naderen, ademde op vraak, en zoodra de tegenheeden door het fransche Keizerrijk eerst in Ruslant en vervolgens ook in Duitschland geleeden wierden, en daartoe maar eenige gelegenheid was, schudde hij zijne manen, sloeg met de staart en ontvrong zich aan zijne banden.

70. Op den 19 October van dit gevaarvolle jaar 1813 wierd mij weder eene dochter gebooren, die wij naar mijne moeder Johanna Maria noemde; en in het einde van dit jaar begon de opstand teegens den Keizer en de franschen, en wel eerst in Amsterdam. Terwijl reeds onderhand en met de meeste geheimhouding deze opstand in het geheele land was voorbereid, en wel door mannen, die merendeels oude Patriotten waren.

71. De kolossale keizerlijke arméé, die naar Rusland gezonden was, had uit dat rijk moeten retireeren en was zoo door de Russen zelven als door koude en gebrek, door het verschrikkelijke winterweer veroorzaakt, reeds half verslagen.In Duitschland vielen hun reeds de Pruisische bondgenoten af, en vogten voor hunne onafhankelijkheid. Te Lijpzig wierd het overige dier grote armée bijna geheel verslagen. Pruissen en Oostenrijk verbonden zich met Rusland, vervolgde de Franschen, en hunne gecombineerde armée naderde onze grenzen. Meerder was er niet nodig tot opwekking der opstand van onze zoo lang mishandelde natie.

72. Doordien Napoleon alles saam moest voegen om die gealieerde armée zoo veel doenlijk tegen te slaan en Vrankrijk zelve te verdedigen, had hij ook de meeste troepen uit ons land naar zijne armée doen opmarcheeren, van daardoor bevond er zich weinig kreigsvolk in Amsterdam, en dat er nog was, waren merendeels Douaniers en gendarmes. De tijd der opstand was daar, want de Hollanders wilde niet zonder eenige medewerking hunne rang onder de volken en hunne onafhankelijkheid van anderen verkrijgen.

73. Op den 13e November 1813 dus brak de opstand tegens de franschen los. Te Amsterdam stond eene bende volks op, begaf zich eerst naar de wagtposten der Douaniers, joegen er deze uit, en verbrande dezelven, voorts begaven zij zich naar de caserne der Douaniers, die verlaten wierd, zij plunderde dezelve en verbrandde de goederen op de wal. Toen vervoegde zij zich aan de huizen der ontvangers van de directe belastingen, waarvan er ook een geplunderd wierd, en anderen beleedigd; overal wierden de fransche waapens en Adelaars weggerukt of afgenomen. Het huis van de Prefect de Celles wierd bedreigd en deze vlugte ter nauwer nood. En dit alles geschiedde onder de roep van Oranje boven, want niettegenstaande zooals gezegd is, het merendeels oude Patriotten waren, die deze opstand hadden aangestookt, als de Heeren Schotten en Kemper, zoo had. men Oranje tot leus genomen, teneinde eendragt en gelijke werking te krijgen. Vandaar ook droeg ieder welgezinde des anderen daags die couleur op den hoed of op de klederen.

74. De uitwerking van dit alles was, dat men de nog overig zijnde franschen vrees inboezemde. Zij trokken dus ook allen uit Amsterdam en begaven zich ter vereniging naar Utrecht en naar Naarden. Terwijl te Amsterdam de nationale garde en alles te wapen wierd geroepen om de rust te herstellen, want het eens opgeruide gemeen zou anders niet tot bedaren zijn gebragt, en om zich desnoods tegens de franschen als deze wilde terugkomen, te verdedigen. Ten dieneinde ook wierden er kanonnen naar de wallen gesleept en uit de meest fatzoenlijke lieden wierden er wijkpatroeljes geformeerd, om des nagts te waken, en de verdere plundering te keer te gaan. Ook ik wierd commandant van eene dergelijke wagt of patroëlje.

Doch onze positie was toen zeer veeg, want als het generaal Molitor, die zijne troepen te Utrecht hereenigd had, gelust had naar Amsterdam op te breken, onder voorwendsel om aldaar het oproer te dempen, hadden wij de kragten niet hem te keeren, en de opstand was met een vreselijk bloedbad geeindigd. Doch daarin tegen verlieten reeds alle de fransche ambtenaren in alle eil onze stad.

75. De opstand in Amsterdam begonnen, wierd weldraa in de andere steden, die volkrijk genoeg waren,en waar wijnig fransch garnizoen was, gevolgd. Zoo ook wierden de franschen uit den Haag gedreven. Doch aldaar ging men ten verre, want in plaats van zich maar tot verdediging te waapenen, trok de Haagsche nationale garde met eenige vrijwilligers naar Woerden om die stad mede vrij te maken. Zij slaagden in den beginnen hierin. Maar daar de generaal Molitor deze stad als een voorpost of voormuur van Utrecht beschouwde, liet hij een bende jonge franschen, meest uit vrijwillige en vraakzieke soldaten bestaande, uit Utrecht deswaars rukken om zich weder in het bezit dier stad te stellen. Deze sloegen er de Hagenaars uit, en er had een schrikkelijke moord van onschuldige burgers, vrouwen en kinderen en plunderingen plaats. Ongehoorde vreedheden wierden daar begaan, waartoe egter die generaal geen orders scheint gegeven te hebben. Dit akelig toneel is dus alleen aan de onberaden voorbarigheid der Hagenaars toe te schrijven.

76. Het heugd mij nog hoe ik, met dit schriktoneel bekend geworden zijnde, het voor mijn huisgezin verzweeg, zooals ook door de meesten wierd gedaan om onze vrouwen en kinderen niet te verontrusten, die anders evenals wij zelven hadden kunnen denken, dat de franschen ook herwaarts zoude trekken, en alhier handelen, zooals te Woerden gehandeld was. Het was dus met een beklemd gemoed, dat ik mijne wagten waarnam. altijd eene aanval der franschen duchtende, maar met het vaste voornemen om in dat geval de mijnen tot het uiterste te verdedigen, en mijn leven zoo duur te verkopen als mogelijk was. Daarom ook waren mijne sabel en mijne gelade pistolen onafscheidelijk van mij.

77. Doch in den loop van dezen omstandigheden had het gecombineerde leger de franschen uit Arnhem gedreven, die stad bemagtigd, en bereiden zich om hunnen voordeelen te vervolgen. Inmiddels hadden eenige onderneemende liden van den Russische generaal kozakken verkregen, die zij tusschen de plaatsen, die nog met franschen bezet .waren durfden leiden tot voor de stad Amsterdam. De aankomst van deze kleine bende gaf de gemoederen regt en nieuwe moed, want men kon nu op bijstand rekenen. Toen ook liet men zoo hier als elders de oude nederlandsche vlag van torens en schepen waajen, en op dit gezigt verbroederde zich alle bondgenoten en men wenschte elkander geluk met de gezegende omwenteling.

78. De wapening wierd voortgezet, dezelve liden, die de franschen eertijds niet ingebragt hadèen, waaronder zich mijn oom Valkenburg bevond, stelde zich nu aan het hoofd om dezelve te verdrijven. Er wierd een landstorm opgeroepen en georganiseerd, die voor zooverre als zij zelven geene wapenen hadden, met pieken gewapend wierd, want aan snaphanen en kruid en lood was er gebrek. 
Ook ik, hoewel andersints uitgediend hebbende, en over de 40 jaren oud zijnde, wierd tot eerste lieutenant in die landstorm benoemd en liet mij uit vaderlandsliefde die aanstelling welgevallen. Dit was dus mijne vierde en laatste militaire carière. 
Men ontdekte nader, dat men mij in rang te kort had gedaan, want eenmaal auditeur geweest zijnde, kwam mij de rang van kapitein toe, en men wilde mij die toen geven, maar ik dankte daarvoor, dewijl ik mij niet gerne met meerder last dan nodig was wilde chargeeren.

79. De generaal Molitor, ziende, dat de niet ver sterkte plaatschen in ons land tegens de ar mée niet tehouden zouden zijn, en zijne. troe pen voor Vrankrijk zelve willende conserveeren, had zeer in stilte en met de meeste orde des nachts Utrecht verlaten, zoodat er bij zijn vertrek niets gebeurde. En de burgers van Utrecht, die des avonds nog in de magt der fran schen waren, verwonderd ontwaakte als daarvan bevreid zijnde. Deze evacuatie heeft dus op eene prijzenswaardige manier plaats gehad, en de nederlanders wijten hem daarvoor nog hunne dank.

80. Niet zoo goed stond het met de versterkte plaatschen hier, te landen, Groningen, Deventer, Naarden en de Helder waaren nog in het bezit van de franschen, die zich daarin gesoveerd en genesteld hadden. Doch alle deze plaatschen wierde door de onze ingesloten, geblokkeerd en nader beschoten. De twee eersten gingen bij capitulatie over en wierden ontruimd, doch de twee laatsten bleven zich verdedigen. En daar de gecombineerde armée de franschen vervolgde, en ons alzoo niet assisteeren kon, waren wij niet bij magte om hun daaruit te drijven, maar bleven hun insluiten, in hoop, dat zij nader capituleeren zouden, in welke verwagting men zich ook niet bedrogen heeft gevonden.


                    Willem I van Nederland

81. Inmiddels hadden de hoofden onzer revolutie, waaronder zich ook de Graaf van Hogendorp bevond, ziende, dat er meer eenhoofdig bestuur noodzakelijk was, de Prins van Oranje, onze tegenswoordige koning, die zich altijd in Engeland had onthouden, voorgeslagen om vandaar over te komen, en alhier 't roer van Staat onder de tijtel van souverijne vorst in handen te nemen. Die voorslag wierd aangenomen, en kort daarop lande die Prins op Scheveningen aan. Hij wierd met opene armen ontvangen, een ieder stelde vertrouwen in hem. En nog door die vorst, nog door het volk, wierd meer aan de oude vete tusschen Patriot en Prinsman gedacht. En dit verwonderde niemand, want het waaren de voormalige Patriotten immers zelven, die hem hiertoe uitnodigde. Alles was nu eenheid en broederschap, want zoowel die vorst als de zoogenaamde Oranjeklanten zelven zagen, dat het meerendeels de Patriotten waaren, die de revolutie bewerkt hadden.

 

82. Wij kregen hierdoor een meer gevestigd bestier en raakten weldra in staat om ook mede de franschen te vervolgen, veele vrijwilligers boden zich daartoe aan, en de fransche werden zoodanig vervolgd, dat de gecombineerde mogendheden tot in Parijs toe doordrongen. De gevolgen daarvan waren, dat onze gardens d'honneur successivelijk terugkwamen, dat de zich nog in Parijs bevindende, van verschillende gouvernementen geroofde stukken van waarde wierde teruggenomen; de Lodewijk den 18e aldaar als koning van Vrankrijk ten troon wierd verheven en dat Napoleon, dat heerszugtig monster, verlof bekwam om zich op het eiland Elba te retireren om aldaar zijne overige dagen in rust door te brengen. De nieuwe landscheidingen wierden geregeld, en door de gecombineerde mogendheden, en dus toen ook door de koning van Vrankrijk, wierd het bestier over Belgien, onder de naam van de Zuid nederlanden opgedragen aan onze vorst, die inmiddels tot koning was uitgeroepen en op de constitutie den eed had afgelegd. En alzoo wierd Willem den Eersten als Koning der Nederlanden verklaard, terwijl zijn rijk zoo uit Noord als uit Zuid Nederland bestond. Wij hadden dus eene constitutioneele Koning, die wel geen groot, maar een vermogend rijk bezat.

83. Zoo leefden wij tijdelijk gerust tot in het jaar 1815. Op den 9e Maart van dat jaar wierd mij weder eene Dogter geboren, Elisabeth Jacoba genaamd. En kort na hare geboorte brak het Monster,de geesel van Europa, Napoleon, van Elba weder op, verliet die rotzen en stak zijn kop en vleugels weder in het zuiden van Vrankrijk op, werwaars hij zich met eenige zijner zatellieten begeven had. Hij vertoonde zich, kreeg spoedig bijval en eene aanhang, vooral bij de militairen, die hij altijd begunstigd had, want hij wist moed en kunde te belonen. Het eene corps na het andere verliet de Koning en schaarde zich bij hem onder de oude driekleurige vlag, waaronder zij zoolang met eere gediend hadden, zijne vorderingen waren ongelofelijk, hij kwam zonder tegenstand van plaats tot plaats. Eindelijk naderde hij Parijs en Lodewijk den l8e verliet hetzelve en begaf zich naar Gend. Toen kwam hij weder in Parijs, en besteeg aldaar opnieuw den troon van Vrankrijk als Keizer.
De keizer Alexander van Rusland vereerde ons met een bezoek en begaf zich ook naar Zaandam om het huisje van Saar Peter te zien, en bij die gelegenheid op het Eij aan boord van een gasterend schip zijnde, zag ik de eerste alhier gezine stoomboot, welke die zijn eerste proef tocht deed, want daar en waren wel elders, maar hier te landen nog niet gezien.