Translate
Home
Family
   B.K.F.
   Bouten-tak
   H.Bastert-tak
   van Hoytema-tak
   JF.Bastert-tak
   Duyvené-de Wit-tak
   New generation
   Interviews
   Reunions
   Travels
   Eenhoorn
   Lezingen
   Heros
Communicatie
New(s)
Guestbook
Links
Contact
Sitemap


vorige pagina

Siciliaans dagboek

Michiel Klinkhamer

Zaterdag 3 augustus 2002: Aankomst

Tegen vier uur des namiddags daalde ons vliegtuig langzaam en gelaten richting luchthaven. Na een glijdend en bochterig aanvliegen over het water, - een merkwaardige gewaarwording, want het voelt alsof je op het zeewater gaat landen - namen we onze reisbagage weer ter hand en geraakten plotseling in een wirrewarrige mensenmenigte van wachtende verwanten, trouwe vrienden en anderen, die, ieder om hun eigen reden, iemand kwamen ophalen.

Daarmee toonden zich in miniatuur al bij onze eerste schreden bepaalde trekjes van de Sicilianen, die we in het sociale en openbare leven later dikwijls zouden ontmoeten: ongeduld, licht ontvlambaar temperament, theatraliteit. Na een halve seconde wachten gaat de Siciliaan toeteren (gemotoriseerd) en foeteren (te voet), na een handvol seconden schelden. Het stemgebruik op Sicilië is gefaseerd in sterkte, kleur en klank kent talrijke overgangsvormen tussen spreken en schreeuwen, tussen kibbelen en schelden.

Toonden de Sicilianen al bepaalde trekjes als ongeduld, licht ontvlambaar temperament en theatraliteit

Stemmen kunnen er schellen, schallen, klinken, dreinen, dragen, donderen, huilen, miezeren, meieren, muizelen, kakelen, krakelen, neuriën, zingen, uithalen, wenen en lachen tegelijk, hartverscheuren, zweven op de wind, rollen over de straatkeien, woelen door de middagwarmte, zingen door avondzwoelte, schateren door de opgeklaarde lucht, onder de deur door kruipen, over de toonbank springen, verdiepingen overbruggen, de bocht om snellen en veel meer. In het stemgebruik drukt zich de sociale reikwijdte en de doelgroep van het gehoor uit. Of men roept vanuit het cafe naar een kennis aan gene zijde van de piazza, of men bestelt voor men de bar is binnengelopen reeds de consumptie, zodat de stem tijd en afstand overbrugt of men treft meerdere personen met een groet.

De stilte van de vrees, van de verwachting, van het weten, van de wanhoop.

De stemmenpracht en klankrijkdom woont in een schouwburg van stilte. Stilte in evenveel kleuren en klanken. Rustige stilte, vredige stilte, droevige stilte; de stilte van de vrees, van de verwachting, van het weten, van de wanhoop. Het zwijgen van de muren, bomen, kerkmuren, van het dorstige zand, de volrijpe vijgen, de eerbiedwaardige olijfbomen, de vergeten idylle van paradijselijke parken,

Autoverhuur

Het viertal medewerkers van het agentschap van het gerenommeerde internationale autoverhuurbedrijf Mededeling zaten als een rij kalkoenen op een kippenstok in een naar West-Europese, - of moet ik zeggen Noord-Europese? - maatstaven veel te klein kantoortje achter vier monitoren. Als medewerker vier naar de wc wilde, moesten 1 t/m 3 hun eerst hun werkzaamheden onderbreken en hun plaatsen verlaten en naar buiten lopen om plaats vor hem te maken. Het geheel maakte al direct de rommelige, maar binnen de wanorde toch vaak dynamische, indruk waarin de Sicilianen zo goed tot hun recht komen, wellicht omdat de chaos hen dwingt om met creatieve of zelfs virtuose oplossingen te komen. Een van de drie jongemannen deed me denken aan de louche boekhouder van een Russische importfirma die ik 10 jaar geleden op een sportschool in Amsterdam west ontmoette; bruine krullen, licht loenzend met een voortdurend geconcentreerde blik, die de indruk van een zekere onbetrouwbaarheid net niet helemaal kon wegnemen. 

De tweede madewerker had een glad meer vierkant gezicht, dat in expressie als een biljartbal in een triangel heen en weer kaatste tussen hoffelijkheid, minachting en uit de mode geraakte jaren -'50-filmknapheid, maar nergens lang bleef hangen.

De tweede had een glad meer vierkant gezicht, dat in expressie als een biljartbal in een triangel heen en weer kaatste tussen hoffelijkheid, minachtig en uit de mode geraakte jaren-‘50-filmknapheid, maar nergens echt lang bleef hangen, waardoor men hem uiteindelijk bij gebrek aan bewijs maar het voordeel van de twijfel moest geven. De derde had geen enkele kenmerk dat erin slaagde zich in mijn visuele, auditieve of geurgeheugen vast te klampen en is er dan ook uit weggespoeld als een kauwgompapiertje op het zand door de oprukkende vloed. Verder liep er een lange dame in het derde decade van haar leven rond met een schaapachtige blik en een zekere voelbare onderhorigheid aan de hoffelijke lomperd met het aalgladgeschoren gezicht. Ik sprak de laatste aan in mijn beste Italiaans, dat ongeveer het niveau heeft van het Nederlands van een eerste generatie Marokkaanse gastarbeider, en ontmoette in plaats van instemming voor de buitenlander-die- tenminste-onze-taal- probeert- te-spreken en in de rede vallende opdringerige beleefdheid die al ras omsloeg in arrogant ongeduld. “You musta speake louda, I cannot ear you”, sneerde hij, met weglating van alle beleefdheidsvormen die de Europese cultuur de afgelopen 5 eeuwen heeft voortgebracht. Later zou ik merken dat Italianen van iedereen verwachten dat hij ook Italiaans spreekt en het als een gebrek aan beschaving opvatten als men dat niet of niet vloeiend doet, terwijl ze doorgaans zelf geen enkele buitenlandse taal behoorlijk spreken, zelfs niet Engels, als ze niet als gastarbeider in een West-Europees land gewerkt hebben. De Fransen, vaak bespot om hun onwil en onkunde om toeristen in het Engels uit de brand te helpen, spreken beter en vaker Engels dan Italianen. Nu de verhoudingen en de toon waarop de transactie zou worden gesloten duidelijk waren, gaf ik hem maar gelijk het reserveringsnummer en mijn credit card. Bij diefstal of aanrijding gold een eigen risico van 2000 resp. 1800 euro, dat evenwel bij te verzekeren was voor slechts 16 euro per dag, oftewel 256 voor de hele periode. Bijverzekeren voor de eerste en de laatste dag alleen, die we in het diefstalgevoelige Palermo zouden doorbrengen, was uitgesloten. Het was 256 of niets. Na wikken en wegen besloten het risico te nemen, dat immers onder de 5% ligt. De Geschorene van Palermo keek met een mengeling van begeerte en wantrouwen naar mijn credit card, vroeg nog om de woonadressen en stuurde na 25 minuten de schaapachtige dame met ons mee om ons naar de auto te leiden. Een Ford K was afgesproken. Hij had een volle tank en moest met een volle tank worden teruggebracht. Sounds fair. Het bleek echter een Lancia te zijn, met een driekwartvolle tank.

Siciliaans rijden

De eerste van de drie dagen die Cathy nodig had om aan het plaatselijke verkeer te wennen begon bij het wegrijden van de ophaalplaats. Een dik zongebruind mannetje van een meter zestig met een vadsig handje dat half lui, half strelend op het schakelpookje rustte, parkeerde illegaal, blokkeerde de rijbaan, streek ten slotte over zijn hart en liet het rechtmatige rijverkeer uiteindelijk passeren. De snelwegen die de grote steden van Sicilie onderling verbinden zijn over het algemeen beter dan die van Belgie, maar zijn levensgevaarlijk door het geesteszieke gedrag van de weggebruikers. Op de snelweg van Falcone-Borselino airport naar Palermo was, in tegenstelling tot elders, de stippellijn die de rijbanen scheidde, vrij redelijk te zien, maar niemand nam de scheiding in rijbanen in acht. Men reed zelfs op de vluchtstrook. Erger werd het toen we Palermo binnenreden. Chauffeurs wisselen van rijbaan zonder dat aan te geven of een gunstig ogenblik af te wachten, waardoor Cathy enkele malen nog net een aanrijding kon voorkomen door krachtig te remmen, met het geluk dat het verkeer achter ons ook tijdig remde. Men reed consequent in het midden op de stippellijn en trachtte zo nu en dan andere weggerbuikers van de weg te duwen. Het viel op de ongeveer de helft van de voertuigen deukjes of krasjes vertoonde. Vanzelfsprekend haalde men zowel links als rechts in en hield een minimumafstand van 5 centimeter in stand bij elke snelheid. Snelheden op de snelweg varieerden van 59 tot 183 km/uur en dikwijls werden auto's op de vluchtstrook, op de inhaalstrook of in de bocht geparkeerd om een praatje te maken, water te drinken, een plasje te doen of over de vangrail te springen en sigaretten te kopen. Motorrijders rijden allen zonder helm, automobilisten voeren kinderen mee voorin zonder gordel of op schoot achter het stuur. Men rijdt eenrichtingverkeersstraten in, haalt in zonder dat er voldoende ruimte is waardoor de tegenligger moet afremmen om een zekere en levensgevaarlijke frontale botsing te voorkomen, men tuft stukjes achteruit op de snelweg en in een smal dorpstraatje met een sliert verkeer achter hem zag ik eens een man stoppen voor een kiosk en vanuit het venster zijn dagblad bestellen. Sicilianen houden geen enkele rekening met elkaar bij het parkeren. In de straat waar mijn moeder woont in Amsterdam zuid wordt vaak dubbel geparkeerd, maar altijd zo, dat de eerder geparkeerde auto er altijd uitkan als hij wil. Op Sicilie parkeert men auto's klem, ook als dat zonder enige extra moeite voorkomen kan worden, stapt de wagen uit en gaat naar de bakker, kennis of de tandarts. Elke burgerzin ontbreekt. Een onbekende in Sicilie is geen medeweggebruiker, geen medeburger, geen landgenoot, geen Europeaan, hij is rechteloze barbaar, die onder toegeknepen oog van de politie mag worden afgeperst of afgezet. Gangbare manoeuvres moeten worden afgedwongen. Men rijdt van links het kruispunt op, waardoor de auto die eigenlijk voorrang heeft moet afremmen en de ander voorlaten om een aanrijding te voorkomen. Als men klemgeparkeerd is, hetgeen vaak voorkomt, en het vliegtuig moet halen of gewoon wegwil, dient men luid en lang te toeteren. Als men geluk heeft is de chauffeur binnen gehoorafstand en komt hij na een paar minuten aansloffen. Hij heeft minder dan animal rights. Scooters (Vespa's) krioelen als fruitvliegvliegjes door het verkeer, dwingen, luid vloekend, automobilisten tot noodgrepen om aanrijdingen bij gevaarlijke inhaalmanoeuvres te voorkomen. Elke Vespa rijdt als een de Marokkaanse pizzakoeriers in Amsterdam, maar dan roekelozer en in veel grotere aantallen. De Vespa's zijn nog achtelozer dan de automobilisten en parkeren op de schaarse autoparkeerplaatsen of bijvoorbeeld tussen twee geparkeerde auto's, maar duwen hun voertuigen niet eerst de straat op alvorens te starten. Ongeduldig springen de bestuurders op hun scootertje en rijden onbehouwen tussen de bumpers de straat op, onderwijl de auto's bekrassend. Ze veroorzaken liever moedwillig voor 800 euro schade aan een ander, die drie weken moet werken om de reparatie terug te verdienen of een half jaar de buikriem aanhalen, dan dat ze de enkele moeite nemen om even naar beneden te kijken en voorzichtig weg te rijden.

Men toetert voortdurend, zodanig dat niet toeteren riskant is. Niet toeteren wil zoiets zeggen als: ik hoef niet vooruit te komen, snij mij maar af, ik hoor niet op de weg. Toen wij in Giardini-Naxos een bejaard echtpaar, dat voor ons op de rijbaan naar de overkant schuifelde, lieten oversteken (we konden er niet omheen en wilden er niet overheen), werd onmiddellijk door de auto achter ons ongeduldig getoeterd.

mannejte

De verbindingswegen tussen steden en dorpen vernauwen zich, zonder dat het aangegeven staat, bij het binnenrijden van de bebouwde kom allengs tot straatjes of zelfs steegjes, waar twee auto's elkaar nauwelijks en vaak niet kunnen passeren. Dat is pas- en meetwerk met aan weerszijden max 5 cm passeerruimte. Ook zijn er straten waar een auto en een kalkoen elkaar net kunnen passeren, die consequent geen eenrichtingsverkeer zijn. Dat leidt tot de confrontatie met een tegenligger: remmen, net op tijd stil, nog even links en rechts een Wespa met 60 km langs zien zoeven en dan: wie gaat het hele stuk terug in zijn achteruit? Degene die de minste tijd en vastberadenheid heeft. Daardoor wordt het beslist, niet door de overweging dat het voor de een een kleinere afstand en moeite is dan voor de ander. Als je voor iemand achteruit rijdt en plaatsmaakt bedankt hij je zelden met een gebaar of knikje. Eenmaal lieten we ons overrompelen en reden we 100 meter en drie lastige bochten terug voor een tegenligger die weigerde om een wagenlengte terug te rijden zodat wij er langs konden. De volgende keer gelijk toeteren en de krant gaan lezen, zei ik tegen Cathy, die hoofdschuddend moest toegevendat de periferie van Parijs een rijschool is vergeleken met Sicilie.

De bewegwijzering laat dus te wensen over. In het binnenland niet minder. Zo kan het gebeuren dat je 5 minuten een bergweggetje afrijdt dat beneden aan de rivier doodloopt, terwijl je toch echt geen bord “doodlopende weg” gezien hebt en allang blij bent dat je een punt vindt waar de auto net kunt keren zodat je de stijle bergweg niet achteruit weer ophoeft. Sommige van het kruimelspoor van verkeersborden, dat je naar een dorp leidt, ontbreken, bijvoorbeeld bij een afslag. De verkeersslagader Via Vittorio Emanuelle werd plotseling eenrichtingverkeer in de omgekeerde richting, zonder dat dat behoorlijk stond aangegeven. Op een gegeven moment ziet men niet de gebruikelijke twee, drie, maar alleen maar spookrijders. Nu wreekt het zich dat er zo vaak om niets geclaxoneerd wordt, want nu er weer heftig geclaxoneerd wordt, gaat men ervan uit dat het ook uit ongeduld of naar kennissen is, niet als waarschuwingssignaal voor een spookrijder. Bovendien ben je er na 5 minuten palermo aan gewend dat tegenliggers lange tijd op jouw weghelft rijden en pas op het laatste moment opzijgaan. Dan toch de auto stil gezet aan in de halve meter brede berm. De stroom tegenliggers houdt niet op, ook niet als het stoplicht op rood staat want er is geen stoplicht in de buurt. Wat nu? Gewoon toeterend je snuit op de weg drukken en erop gokken dat de tegenliggers uitwijken of stoppen. Hen voor voldongen feiten stellen. Dat doen ze zelf ook. De rijstijl van de voldongen feiten.

Waarom wordt een hoofdstraat senso unico? Doet er niet toe, maak je niet druk. Gewoon een omweggetje maken terug naar de hoofdweg: een keer links, twee keer rechts en terug op de Via. How wrong can one be. Je moet in Palermo sowieso nooit van de hoofdwegen afgaan, want daar zijn geen zijwegen, maar daar ontspint zich een onnavolgbaar web van straatjes en steegjes, die je na een paar honderd meter in een achterstandswijk slurpen. Op een vervallen pleintje rijdt een jochie op een gloednieuwe mountainbike met hoge snelheid net tussen twee drollen door, remt en keert om zijn huzarenstuk te herhalen. Een dame legt vanaf een balkonnetje op twee hoog, met bijpassend stemgebruik, in zwaar Siciliaans uit hoe we terug op de hoofdweg komen. Na drie kwartier komen we op een pleintje (piazza Daresinni), waar we willen parkeren. Een rare snuiter met fluitje maar zonder uniform wijst ons terecht. Wie is deze burger die zich bevoegdheid aanmatigt om ons te vertellen hoe we moeten parkeren. Van de nood een deugd makend vraag ik hem waar piazza Marina is. Om de hoek. Dank oe. Daar was de parkeerwacht even plassen en parkeerden we de huurauto voorzichtig in – geen bewijs achterlaten dat je toerist bent, leg liever zelfs een Italiaanse krant zichtbaar op de achterbank - en droegen onze bagage de trappen van Hotel Letizia op. Tijdens het inchecken merkte de receptioniste desgevraagd op, dat het beter is de parkeerfluitisten een euro te geven, maar wilde er niet op in gaan, waarom. Ze vond het blijkbaar heel gewoon, maar waarom wilde er dan niet op ingaan? Iets gewoons kun je de domme toerist toch wel uitleggen? Hier manifesteerde zich voor het eerst een facet van de stilte die als een deken over de hele Siciliaanse samenleving heen ligt, het kankergezwel van de organisatie die in en uit het sociale weefsel van de Siciliaanse samenleving is ontstaan, die diep boosaardig is, maar ook typisch Siciliaans. Het kwaad hult zich immers vaak in het kleed van de cultuur waarin het gevormd is. De Cosa Nostra (“Onze zaak”) heeft iets oudtestamentisch in zijn slechtheid. Van de bekendste spijtoptant, ……., heeft de Cosa Nostra 33 familieleden vermoord, waaronder zijn vrouw en drie zoons. Om dit heilige getal met moorden op te vullen, moet men werkelijk duivels slecht zijn.

De piazzamafia

Palermo staat nummer 7 op de lijst van Italiaanse steden waar in 2001 de meeste auto's werden gestolen (meer den 6000 per jaar), in absolute aantallen dan, en de wetenschap dat een gezant van de georganiseerde criminaliteit aan de eind van de avond aan het dievengilde doorgeeft welke van de geparkeerde auto's geen “contributie” hebben betaald, verontrustte ons, met het eigen risico van 2000 euro in het achterhoofd, dermate, dat ik besloot om de man op te zoeken en hem wat toe te stoppen. Ik trof hem aan midden onder het werk, zakkenvullend met euromunten, en wenkte hem mee. “Sei tu il capo della piazza?” vroeg ik. Hij knikte en brabbelde wat onverstaanbaars. “Vieni, ti mostro la mia macchina”, zei ik de rare snuiter, die een beetje achterlijk leek en een beetje dronken was. Typisch dat een aangeschoten halve gare automobilisten kan afpersen zonder dat die zeggen van: wie denk je wel dat je bent? Men voelt kennelijk aan dat achter de man een machtige organisatie staat, waartegen ook de politie en de rechtelijke macht kennelijk niet optreden, anders zouden er niet in heel Palermo pleintjes zijn waar niet de staat, maar de maffia de parkeerbelasting int. “Ti do 5 euro, mi ridai 3, per guardare la sicurezza della mia macchina. Eccola”, ging ik verder. Ik gaf hem 2 ipv 1 euro om de waarschijnlijkheidsmeter van diefstal of inbraak van onze Lancia flink te laten zakken – in Amsterdam betaal je immers het vijfvoudige voor een avondje parkeren en hij stelde voor mij 's anderendaags de 3 euro terug te geven, daar hij even niet bij zijn wisselgeld kon. Ik stond echter op teruggave onder rembours en we gingen vriendschappelijk uit elkaar (hij sloeg even een arm om mij heen en liep enkele meters met me mee), nadat hij benadrukt had dat hij zou doen wat hij kon, maar dat uiteindelijk alles in handen lag van de Vader die in de Hemelen Was. Na je eerste avond in Sicilie voel je dus dat de politie niet bereid is om buitenlandse gasten te beschermen tegen de mafia, hetgeen een gevoel van rechteloosheid en onwelkom zijn geeft en het besef dat dit eiland niet in de EU thuishoort: het is een andere wereld. Iedereen accepteert dit systeem van gestructureerde afpersing: de omwonenden, de horeca, wiens clientele afgeperst wordt, de families die 's avonds de pleintjes bevolken met grootouders, babies en al, en zoals gezegd de uitvoerende en rechtelijke macht. De politie werkt voor de staat en die is van ons allemaal, maar de maffia werkt alleen voor zichelf.

De terrasjes van piazza Marina hadden geen eigen verlichting, maar lagen in het zwakken schijnsel van de straatverlichting. De drankjes werden in plastic bekertjes geserveerd. De terrasjes maakten om 11.30 ‘savonds een prettige intieme indruk. In plaats van alleen maar jongeren, waren alle drie generaties er vertegenwoordigd, zoals gezegd met omaatjes en wiegjes en al. Dat gaf een gevoel van vertrouwelijkheid, kleinschaligheid en intimiteit dat echter twee meter van het terras, waar de straat begon, plots ophield, want daar werden alle verkeersregels geschonden ten nadele van de gezondheid van de medeweggebruikers. Nog eens 50 meter verderop, in de steegjes aan gene zijde van de straat, wordt het zowel buitenlandse als Siciliaans meisjes en vrouwen afgeraden om zonder begeleiding te lopen, omdat het niet veilig is. Terwijl ik, dit alles gadeslaand en overpeinzend, op het terrasje zat, besefte ik, dat er eigenlijk in Sicilie geen sprake is van de rule of law. De heerschappij van de wet is nooit volledig ingevoerd en heeft het systeem van patronage nooit geheel kunnen verdringen. Sicilianen erkennen in hun hart niet redelijkheid die alom en voor iedereen geldt; zij dringen wat goed is en moreel terug in de beperkingen van gezin, extended family, clan, netwerk en in laatste instantie bekendheid. Als ze je op de ene of andere manier kennen of bv twee keer op de piazza gezien hebben, zijn ze over het algemeen, na een norse kennismaking, toch erg vriendelijk, zelfs doorgaans hartelijker dan onbekende Nederlanders, maar als ze je niet kennen, nemen ze niet eens elementaire beleefdheidsregels in acht en tonen niet eens het minimale respect, dat Noord-Europeanen hun medemensen toedragen, omdat het medemensen zijn. Eigenlijk kennen Siclianen geen medemensen, alleen bekenden en onbekenden.

Een stad in verval

Nadat we ons in het hotel geïnstalleerd hadden, maakten we een korte wandeling, zomaar een straatje in. Dat leidde ons naar een pleintje, waar een achttal huizen aan een zijde ingestorte daken had, alsof ze zojuist gebombardeerd waren. Midden op het plein stond een klooster en op 50 meter daarvandaan 3 vuilnisbakken met de klep open, zodat je ze op 50 meter afstand rook, terwijl de met een kleine moeite gesloten konden worden. Dit zagen we vaker: Sicilianen laten de openbare vuilniscontainers open, waardoor je ze op 50 meter afstand ruikt. De temperatuur was achter in de 30 graden en de vissen en ander voedsel lagen op straat te rotten. Twee containers waren overvol, waardoor zakken eraf gevallen en opengescheurd waren en hun inhoud aan de straatstenen hadden prijsgegeven, een derde echter grotendeels leeg. Waarom doen ze niet die klep dicht en waarom gooien ze die zakken voor een volle ipv in een lege container, vroeg mijn Noordse brein zich af? De nonnetjes uit de buurt stoorden zich er kennelijk ook niet aan.

In een vervallen steegje verderop bleek een hofje uit te komen, waar tafeltjes sfeervol gedekt waren. We namen plaats en nuttigden een avondmaal van onder andere, steak van zwaardvis, een Siciliaanse specialiteit, gepaneerde mintballetjes, gebakken inktvisringetjes met garnaaltjes, zuurfrisse plakjes aubergine. Na het avondmaal verlieten we de door armoede en onwil gebombardeerde wijk en staken de boulevard over, een parkje met palmbomen in, dat naar de haven van Palermo leidde, waarvandaan een groot deel van de 1 miljoen Sicilianen, die tussen 1871 en 1914 naar America emigreerde, scheep gegaan moet zijn. Daar gingen we zitten op de oever, en keken naar het water. Het stonk een beetje, maar na een tijdje toonde het water ons zijn nuances van turquoise water, zilverschitterende lichtrefelecties en roodbruin schijnsel van de avondzon die zich via de heuvel aan de overkant van de baai in op de kabbelende golfjes weerspiegelde.

zon

Zondag 4 augustus,

Na een verkwikkende nachtrust in een kamer waar de airconditioning de bezorgdheid om de ongeschonden staat van de auto zodanig afkoelde, dat we uiteindelijk toch nog prettig konden slapen, snelde ik 's ochtends vroeg nieuwsgierig naar de piazza. Nooit beseft wat een vreugde de aanblik van een ongestolen en onbeschadigde auto kon bieden. Mede in het lommerrijke licht van onze ervaringen besloten we Palermo onverwijld te verlaten en elders langs de snelweg te ontbijten. Voorbij het toeristische Cefalu trokken we ons langs een kronkelend bergweggetje terug in een dorpje, waar we, na een 7-voudig buon giorno, met vrienedlijke instemming van de dorpelingen ons autootje voor een uitrit parkeerden om koffie, perzikkensap en een broodje te nuttigen in een cafeetje. Dat bleek achter een terras te hebben, waar wat kinderspeelgoed rondslingerde en dat ons het eerste van de vele prachtige vergezichten schonk, die Sicilie de reiziger te bieden heeft, heuvels en valleien, wolken, zon en sterren, de natuur zoals zij geschapen is.

Na zo'n hectische aankomst in het menselijke gewoel, wil het oog nogal eens rust en soelaas zoeken in de wijdsheid van de natuur. Het landschap dat aan weerszijden van de snelweg van Palermo naar Catania aan het nieuwsgierige oog voorbijtrok, deed echter woestijnachtig aan. De snelweg slingert zich als een opgedroogde rivier langs de gortdroge karig begroeide hellingen, waar soms een bijzonder taai runderras graast, dan weer olijfbomen groeier, en soms helemaal niets.

Na twee uur bereiken we de oostkant van het eiland en reden de havenstad Catania binnen, waarvan ik maar niet zal vermelden dat het nog boven Palermo staat in de top 10 van steden waar het autodieventuig het meest actief is. Met het labyrint van Palermitaanse straatjes en steegjes, die als slangen van het hoofd van Medusa van de hoofdweg uitkronkelden het onbestemde in, nog vers in het geheugen bleven we op de grote straten tot we bij een plein aankwamen waar een busstation, een parkje en wat winkeltjes voorkwamen. Ik stapte even uit om bij een soort groentekramer die eruit zag als een zigeuner wat fruit te kopen en bestelde een kwart watermeloen. Hij pakte een halve, en wel van het exemplaar dat de hele dag in de zon gelegen had. “Nee, geen halve, een kwart, en vers graag”, protesteerde ik. Dat kon niet. Na wat gekibbel kon dan vers wel, maar bleef het de helft, die in twee stukken gesneden werd en in een zak gedaan. “En twee rijpe perziken”, vervolgde ik. De zigeuner zuchtte, pakte drie onrijpe en deed ze in de zak. “Geen tre, maar due, en mature” zei ik geergerd. De man vloekte en legde er een terug, maar ruilde de twee andere niet in voor rijpe. “Alora non voglio niente” keerde ik me boos om en beende weg. Nee, terugkomen, en pak zelf maar een paar perzikken, als je wilt. Pff. Ik stapte weer in de Lancia en we reden tussen park en rijtjeshuizen op zoek naar een parkeerplaats, toen een Fiatje, ongeacht het senso unico in ons voordeel, haastig onze straat indraaide en recht op ons afstoof. Beide voertuigen schoten in de rem en kwamen op een haar van elkaar tot stilstand. Cathy woedend en geschrokken, de spookrijder na enige strubbelen in zijn achteruit en zonder excuus of groet ervandoor.

corvette

Nog vol van het incident parkeerden we de auto op de hoek van het plein, zo dat we hem in het oog konden houden, en vleiden ons neer op een bankje, waar we het verworven fruit nuttigden. Het was inmiddels een uur des namiddags en de stad stierf uit voor de middagpauze van drie langgerekte uren, behalve een trattoria tegenover ons die later de luiken sloot. Daar bemachtigden we een tafeltje in de hoek, vanwaar we de auto nog net konden zien en nuttigde ik mijn eerste granita, een luchtige sorbet met vruchtenijs, waar Sicilianen 's ochtends graag hun zoete broodjes in dopen. Cathy bestelde een canelloni, die eerst achteloos koud werd geserveerd, maar nadat ik hem had laten riscaldare, de lekkerste canelloni bleek te zijn die we ooit geproefd hadden. Samen met drie espresso's en een fles mineraalwater bleek het geheel nog geen vijfeneenhalve euro te kosten, eenderde van wat de Nederlandse horeca daarvoor zouden rekenen, en veel lekkerder. Via het hooggelegen Taormina kwamen we bij een afslag in Giardini-Naxos waar ik aan drie jongelui de weg naar Castiglione di Sicilia vroeg. De eerste begon geduldig aan een uitleg, maar werd verontwaardigd door zijn makker opzij- en weggeduwd, die met zijn eigen uitleg kwam, die inderdaad bleek te kloppen. Het eerste verhaal was onzin geweest, het tweede bracht ons op het juiste spoor, zodat we na nog wat vragen – de bewegwijzering was weer om te huilen – en met wat kaartlezen een half uurtje later Francavilla binnenreden, wat ik voor Castiglione hield. Ik vroeg een oude heer naar piazza Martino, die ons dat vriendelijk uitlegde. Niet gevonden. Nogmaals gevraagd, dit keer aan de corrupte arm der wet. Nee, het Martijnsplein ligt niet in Francavilla, maar in Castiglione, en dat is een paar kilometer die kant op. Grazie. Na wat mobiele telefoonverkeer met de contactpersonen van ons huurappartement werden we op de piazza Martino opgehaald door een neef van organisator Davide, Alfio (zonnebril), met een derde, zoals Sicilianen vaak zonder reden iemand meenemen of bij zich hebben die toevallig in de buurt was. Zo kwamen we ten langen leste aan in de via Santa Cantarina, waar we werden verwelkomd door het echtpaar Conti, dat ons het ruime appartement met TV liet zien een uurtje later verse tomaten-mozzarella-basilicum salade kwam brengen, zoals die eigenlijk hoort te smaken, met plaatselijke salami, meloen en huiswijn van vulcanische grond en enkele hompen brood. Alles onder toeziend nimmer sluitend oog van de bejaarde overbuurvrouw, die immer in het zwart gekleed ging, zoals het een Siciliaanse weduwe betaamt. Nadat we de welkomsthapjes verorberd hadden, nam Cathy haar oude gewoonte uit haar Spaanse tij, de siesta, weer op, en begon ik dit dagboek te schrijven en mijn Italiaans op te frissen.

Om een uur of acht liepen we omhoog het stadje in en beklommen het Griekse Fort, dat een ontzagwekken uitzicht op de Etna bood, de Koningin die sinds mensenheugenis het eiland regeert, doorgaans met zachte hand, maar soms met venijnige uitbarstingen. Op het Fort stonden Eucaliptusbomen, waarvan de bladeren gewoon geplukt konden worden, hetgeen we wat later ook zouden doen. Bij het vallen van de avondschemering, in Sicilie wat vroeger dan in Nederland, daalden we af en namen plaats op het terras van Ristorante Pizzeria Belvedere. Het uitzicht was inderdaad adembenemend en omvatte een blik op Francavilla, de vallei van de rivier Alcantara, in de verte het schitterende Motta Camastra en de grillige bergformaties, die niet langzaam glooiend uit de vlakte opglooien, maar bruusk de grond insteken als de klauwen van reusachtige dynosauriers. Met het vallen van de duisternis veranderde het vergezicht in een clavecimbelsonate van lichtjes die als een ondermaanse spiegel onder de schittering van de sterrenhemel lagen. Lichtjes als waxinelichtjes in Katholieke kerken van stadjes met minder inwoners dan sommige Nederlandse dorpen. Nog voldaan van de welkomsthapjes bestelden we alleen desert, ijs voor Cathy en honing-notensliertjes voor mij. Belvedere bleek door een familie gevoerd te worden, zoals bijna alle cafe's en restaurants die we in Sicilie hebben aangedaan.